Banner

De Tijd

Schijn Bedriegt

Ellen Maerevoet; Matthieu Van Steenkiste - 01 december 2001

Al enkele jaren zijn de stukken van Thomas Bernhard erg populair onder Vlaamse theatermakers. Eerder speelde Het Toneelhuis al Voor het Pensioen en De Theatermaker. Dit seizoen waagt Lucas Vandervost zich met De Tijd aan wat misschien wel de mildste tekst is van de Oostenrijker.

Enkele maanden geleden nog won diezelfde Vandervost voor zijn werk bij het gezelschap de prestigieuze (want met veel geld beloonde) Océ-Podiumprijs. Hij werd geroemd om de "ijzeren consequentie" van zijn werk. Ondanks de groeiende kritiek halverwege de jaren negentig bleef hij koppig de ingeslagen weg voortgaan. Al werd de toon gaandeweg iets toegankelijker, toch bleef hij vasthouden aan zijn typische verteltheater. Met Schijn Bedriegt, zijn eerste regie sinds die bekroning, is dat niet anders. Ook hier vertellen de acteurs meer dan ze spelen.

In Schijn Bedriegt brengt Bernhard twee ouder wordende broers ten tonele. Karl is naar eigen zeggen een "artiest" — hij had een bordenact in het variétécircuit — en kijkt nogal neer op zijn broer Robert, die acteur was. Als vanouds laat Bernhard niet na via deze omweg zijn kritiek op het theater te spuien. Hoewel die broers niet de beste kameraden zijn, zien ze elkaar sinds de dood van Mathilde, Karls vrouw, toch tweemaal per week. Op dinsdag komt Robert naar Karls huis afgezakt, op donderdag is het omgekeerd.

Het scènebeeld doet bij het binnenkomen erg klassiek aan: een kast, drie stoelen en een planken vloer. Karl begint te vertellen. Neen, hij begint te zeuren. Als een echte oude man. Hoe hij met Mathilde is getrouwd, dat er na haar begrafenis niets wordt geveild en dat ze hoegenaamd geen piano kon spelen. Bob De Moor brengt deze lange monoloog net iets te nadrukkelijk. Het is Bob De Moor die Bob De Moor speelt. Al snel begin je je af te vragen waar Robert (Han Kerckhoffs) nu blijft.

Uiteindelijk komt hij. Maar het is Karl die blijft ratelen en doorzeuren. Hoe het hem irriteert dat Mathilde het buitenverblijf aan zijn broer heeft nagelaten. Kerckhoffs steelt hier de show door lijdzaam toe te horen, daarbij geholpen door een schitterende mimiek: één opgetrokken wenkbrauw relativeert het geëmmer van Karl meer dan duizend antwoorden. In dit samenspel openbaart zich het humoristische aspect van Bernhards tekst ook het best. Het verschijnen van Robert plaatst de hele monoloog van Karl op de helling. Het wordt duidelijk dat beide broers elk hun eigen waarheid hebben over wat er in het verleden gebeurd is. In dit eerste deel lijkt Han Kerckhoffs’ ondersteunende, luisterende en relativerende rol onmisbaar om het verbale geweld van De Moor te temperen.

In het tweede deel gaat Karl op visite bij Robert. Die heeft er altijd van gedroomd om King Lear te spelen, maar het is er nooit van gekomen. Om dat te onderstrepen wordt vooral het decor, maar ook de kostumering betrokken: gekroond en in een soort koningsmantel verschijnt Kerkhoffs vlak voor een rood, fluwelen gordijn. De toon van het stuk verandert evenwel niet. De broers gaan rustig door met herinneringen ophalen en treuren over gemiste kansen in het verleden. Veel actie moet het publiek ook hier niet verwachten. De gedachtensprongen van de broers schieten alle kanten uit.

Bernhard is natuurlijk niet de man van mooi afgelijnde verhalen. Het is verteltheater, maar het einde van de tekst is hier niet het einde van het verhaal. Veel herinneringen worden oeverloos herhaald, andere zaken blijven dan weer onuitgesproken. De kracht van het stuk zit vooral in het samenspel van deze twee zeer verschillende acteurs. De lange beginmonoloog van De Moor zorgt er wel voor dat de voorstelling traag op gang komt en daardoor kan een gevoel van langdradigheid niet onderdrukt worden.

E-mailadres Afdrukken