Banner

KVS/De Bottelarij

Parasieten

Matthieu Van Steenkiste - 01 november 2001

Met een jonge bewindsploeg aan het hoofd kon het niet anders of KVS/De Bottelarij zou de kaart van de jeugd minstens een béétje uitspelen. Dat doen ze dus: elk jaar zal een jonge, net afgestudeerde, theatermaker de kans krijgen een regie te maken voor de grote zaal. Voor de maiden trip van dit project viel het oog van artistiek leider Jan Goosens op Raven Ruëll, net afgestudeerd en nauwelijks 23. Zeer jong talent dus, maar het gaat zeker niet ten onder op het grote podium, al maakte de tekst van Marius von Mayenburg het hem niet gemakkelijk.

"Tegenwoordig moet je al iemand halfdood rijden, als je hem wil ontmoeten," is het citaat waarmee Parasieten publiek wil lokken en dat is exact wat er is gebeurd: Multscher, een oude man, rijdt de jonge Ringo aan, wat er toe leidt dat die verlamd in een rolstoel zijn dagen zal mogen slijten. Ringo sluit zich vervolgens op in zijn huis, enkel bijgestaan door zijn vriendin Betsi. Hun status-quo wordt echter gauw doorbroken als eerst Multscher Ringo terug opzoekt en even later ook Betsi’s zus Frederike toevlucht zoekt in het huis van Betsi en haar vriend.

Deze uitgangspositie gebruikt de jonge Duitse theaterauteur Marius Van Mayenburg om een gitzwart beeld op te hangen van de condition humaine. In ongemeen scherpe dialogen gaan de personages elkaar te lijf. Afhankelijk van elkaar gaan ze in bitter gevecht, maar kunnen ze elkaar ook niet loslaten. Mayenburg ziet zijn stuk als een studie over hoe mensen met elkaar omgaan: onhandig en ongenadig. Met een gitzwarte humor legt hij de lelijke onbeholpenheid in de getoonde relaties bloot.

Toch draagt de tekst ondanks zijn zwartgalligheid een zweem van hoop in zich: alle personages vertonen in hun dagelijkse gevecht een enorme levensdrang, een hoop dat er een uitweg is uit de uitzichtloosheid. Mayenburg laat zijn personages die hoop op een bepaald moment hartsgrondig, in ware predikantenstijl, uitspreken, bekrachtigd door een hartsgrondig "Amen". Dat de Duitser zijn stuk in een o zo klassiek, Sierensachtig, lagere klassemilieu situeert, stoort niet want ondanks alle miserie is er in zijn tekst ruimte voor een zekere poëzie. In een voor hun sociale omgeving ongewone stijl steekt elk personage wel een monoloog af over zijn innerlijke onrust en pijn.

En daar struikelt Ruëll. De jonge theatermaker doet wel een verdienstelijke poging om de tekst van Mayenburg op scène te zetten en ontlokt aan zijn acteurs zeker een sterke prestatie. Toch wringt er iets, de hele voorstelling lang: door de vormgeving tot op het randje van het naturalistische te brengen, herleidt hij ook de grote zeggingskracht tot een incidenteel Sierens-achtig "Kijk ze nu eens." Met zijn opwarmmaaltijden, blikjes Cara-pils en afgesleten divans wordt de krachtige tekst over de onmenselijkheid van de menselijke omgang teruggebracht tot een anekdotische schets. Dat dat niet de bedoeling kan geweest zijn bewijzen de monoloogjes, die de personages rechtstreeks naar het publiek gericht brengen. Het wringt met de rest van de voorstelling, die gebukt gaat onder de letterlijke omgeving waarin het spel wordt gebracht.

Desondanks heeft Ruëll geen slechte voorstelling afgeleverd. Hij onderbouwt het stuk met genoeg humor om er de vaart in te houden en weet het publiek tot het einde te boeien. Toch blijft het wringen dat ergens de verkeerde keuzes moeten gemaakt zijn. De universele draagkracht van de tekst is herleid tot een anekdotisch niveau en is daardoor zoveel verteerbaarder gemaakt. En dat kan Mayenburg nooit bedoeld hebben.

E-mailadres Afdrukken