Banner

Charlotte Vanden Eynde & Ugo Dehaes

Lijfstof

Anne Dekerk; Joost Dewyngaert - 01 oktober 2001

Na de exuberante choreografieën Benenbreken, Vrouwenvouwen en Zij ogen krijgen we nu de vierde voorstelling van Charlotte Vanden Eynde te zien in een productie van vzw Kwaad Bloed. Het is haar eerste voorstelling waarin het niet om de vrouw gaat. Enkel het menselijk lichaam(-sdeel) staat centraal, het geslacht doet niets terzake.

De voorstelling ontstond in samenwerking met Ugo Dehaes, die Vanden Eynde leerde kennen op het P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studios). Ze studeerde af in 1998. Ugo daarentegen zette zijn opleiding voortijdig stop om bij Meg Stuart te dansen in Appetite en Highway 101.

Lijfstof is een voorstelling opgebouwd uit een nevenschikking van korte, sterke beelden. Zoals de openingsscène: eerst een onbelichte, inktzwarte ruimte met oorverdovende white noise. Lichten aan, geluid uit en er staan twee kartonnen dozen, met naakte lichamen erin opgeborgen. We zien enkel de oppervlakte van de rug, en dan de bewegende armen, benen, vingers en tenen die beurtelings uit de doos kruipen als vreemde wezentjes. Het lijkt alsof ze 'op zich' een ziel en gedachten hebben. De ledematen proberen zich uit hun beperkte omgeving te worstelen en uiten hun verwondering over de wereld buiten de doos.

Lichamen zonder gelaat dus. Meer nog, een homp vlees in een kartonnen doos. Een verkoopbaar stuk vlees, zo blijkt wanneer twee mensen de kartonnen dozen 'gevuld met vlees' met een magazijnkarretje komen ophalen. De andere dimensie van deze scène is dat het een enorme fysische inspanning vergt om op deze manier, met het hoofd weggeborgen, een kwartier lang in een doos te vertoeven. Net als in Happy Zode van Arco Renz en Sharon Zuckerman, twee dansers die samen met Charlotte en Ugo op P.A.R.TS. hebben vertoefd, tast ze in haar voorstelling de grenzen van het uithoudingsvermogen af.

In het tweede deel ligt Ugo's lichaam gespreid tussen twee tafels (hoofd op de ene, benen op de andere, terwijl de romp zich in de vrije ruimte bevindt). Enkel zijn torso is belicht, de rest vloeit samen met de duisternis. Vanden Eynde haalt op een speelse wijze allerlei dingen uit en brengt ze aan op het belichte lichaamsdeel. Het lichaam wordt als het ware gefragmenteerd, en dat zonder echt afbreuk te doen aan de specifieke betekenis van elk afzonderlijk lichaamsdeel, geëxpliciteerd door het gebruik van specifieke attributen. Zo wordt de bewegende romp op een bepaald moment een reuzenuier nadat Charlotte er fopspeentjes op aanbrengt. Ze bindt het in met een scherpe draad en het krijgt een bijna sadomasochistische connotatie. Elk beeld staat op zich, en telkens verwordt het lichaamsdeel tot iets nieuws via de ruis dat de binding vormt tussen de dingen en het lichaamsdeel.

In het derde deel wrikt Charlotte haar bovenlichaam in een ongemakkelijke positie klem. Haar hoofd en schouders zitten vast. De aandacht wordt gevestigd op haar armbewegingen die een demonstratie lijken te geven, opnieuw door middel van het uithalen van allerlei kleine attributen. Er ontstaat een heel klinisch beeld. Charlotte tracht haar vingers door te knippen, haalt een vod uit enzovoort. Op bepaalde momenten krijg je associaties met een operatiezaal, op andere momenten veranderen de handbewegingen in die van een huisvrouw.

Ugo ritst een pull open, trekt deze uit. Ritst daarna een andere pull open in de tegenovergestelde richting. De verpakking van het lichaam wordt afgeschild. Het bovenlichaam dat dan bloot komt, wordt weer toegehaakt, wat de illusie van een reusachtig en grotesk litteken oplevert. Charlotte pleistert als reactie daarop haar borsten dicht.

De perverse dimensie komt het sterkste aan bod in een kort intermezzo waarbij dia's aan een hoog tempo worden vertoond. Dia's waarop stukken lichaam te zien zijn, die bewerkt werden met dingen, die dan duidelijk hun sporen hebben achtergelaten (rode striemen). Dit wekt zeer sterk de suggestie van scarificatie, zelfs snuff movies, vooral dan de wijze van aanbieding: een stroboscopisch, haast subliminaal karakter. Charlotte en Ugo 's lichamen en hoofden zijn volledig bedekt met (wollen) pakjes. Ze houden elkaars hand vast. Uit de boxen klinken uiteenlopende muziekfragmenten waarop ze telkens anders reageren. De verpakte lichamen zijn op zich nietszeggend. Wat ontstaat, zijn bepaalde maatschappelijke codes betreffende lichaamstaal. Zo wordt er verwezen naar bepaalde fenomenen en subculturen in de maatschappij.

Er worden allemaal knuffeldiertjes opgespannen en losgelaten op de scène. Ze trappelen en maken dierengeluiden. De mechanische knuffels nemen de scène over. Hier is geen controle; het materiële kinderspeelgoed neemt het heft in handen. Charlotte kruipt in een minuscuul kinderparkje en Ugo gaat erbovenop liggen. Gevangen en veel te groot voor het babybed. Een heel speelse, kinderlijke scène die ook iets akeligs heeft. En weer krijg je een nieuwe dimensie van het lichaam.

Zo wordt deze voorstelling door telkens aparte vormen en lijnen als een kindertekening samengesteld. Telkens begint het beeld een eigen leven te leiden. Het gemanipuleerde lichaamsdeel wordt ‘verdingelijkt’. Dit wordt gecreëerd door de ruis dat alweer een binding vormt tussen de lichamen en de dingen die erbij worden gehaald.

De voorstelling leunt sterk aan bij conceptuele kunst. Dit is ook een domein waar Charlotte haar inspiratie haalt. Het concept wordt dan ook een ijzersterke rode draad doorheen de hele voorstelling. Het lichaam wordt ontdaan van zijn denken, zijn gedachten. Zo vervreemdt het van de betekenisvolle mens als geheel. Toch verwijst het naar allerlei dimensies uit het dagdagelijkse leven en naar allerlei dimensies van het lichaam. Op het eerste zicht lijkt het alsof de voorstelling iets onsamenhangends heeft, maar misschien vormt het concept wel een samenhang door het naast elkaar plaatsen van elk beeld op de speelse wijze van een kindertekening.

E-mailadres Afdrukken