Banner

Het Toneelhuis

Asem (MVS)

Matthieu Van Steenkiste - 15 november 2001

Luc Perceval heeft zich bekeerd tot het hooliganisme. Geen oplossingen meer aanreiken, enkel nog burgerlijke verworvenheden afbreken, dat nam hij zich voor. Met Asem is hij aan zijn tweede stuk toe onder die naam, al telt hij hier achteraf gezien ook Aars bij.

Voor Asem verzon Perceval er nog een naam bij: amoreel theater, want het draait uiteindelijk om incest. Hooligantheater, amoreel theater… het klinkt als rock ’n roll en dat zou het ook kunnen zijn: hard en snedig, diepgaand. Een theater dat misstanden aanraakt zonder naïefweg pasklare oplossingen aan te bieden. Een theater dat twijfel zaait middels een raak geplaatste kopstoot.

Een interessant uitgangspunt dus. Of het ook in de praktijk slaagt, is maar de vraag. Het eerste stuk van Perceval sinds hij het licht zag, was Ridders, een educatief project met zes jonge mensen. Enkele aanzetten wezen wel de richting aan waarin Perceval dacht, maar het stuk miste toch de diepgang om iets van deze doelstellingen te realiseren.

Asem slaagt daar heel wat beter in en dat is grotendeels te danken aan het tekstmateriaal. Percevals bewerking van Thomas Jonigks tekst is hard, onverbloemd en spaart niemand. Op een groteske manier laat hij slachtoffers en daders (in de oorspronkelijke taal heet het stuk Täter, mvs) excuses en verantwoordingen debiteren die rechtstreeks geplukt lijken uit talkshows. Voor die psychologie van daders en slachtoffers ging Jonigk te rade bij een Duitse studie over het fenomeen. Veel van wat hij de misbruikende vaders en ook moeders in de mond legt, is dan ook letterlijk uit het verweer van een dader geplukt. Even vaak maakt hij er een groteske uitvergroting van. Jonigk trekt de uitspraken van zijn personages soms zo in het absurde dat lachen haast onvermijdelijk wordt. Een gulle lach, die je ongemakkelijk schuifelend weer inslikt eens je beseft waarmee gelachen wordt.

Perceval gaat met zijn enscenering op dat spanningsveld verder. Vestimentair zijn de spelers operetteversies van de karikaturale buurvrouw, huisvader, madam doktoor… maar verder is de scène op een glasplaat na leeg. Allen houden die glasplaat krampachtig rechtop. Het is de picket fence waarachter de burger de schijn halsstarrig op wil houden. Het is het lendendoekje van de goede smaak, alleen kijk je er als toeschouwer recht doorheen en zie je de personages in al hun lelijkheid.

Af en toe wordt de stroom aan cru bekentenissen onderbroken door absurde tussenkomsten als een vrouw die plots begint te zwemmen of een fee die overdartelt. Ze werken op de lachspieren en in die zin ondermijnen ze de kracht van het stuk enigszins.

De acteerprestaties zijn wisselend. Inge Paulussen en Pepijn Caudron schitteren in de manier waarop ze de pijn van slachtoffer en dader voelbaar maken. Paulussen vat het op een bepaald moment treffend pijnlijk als ze zegt: "Jamaar, ik zie mijn vader graag," maar er onmiddellijk aan toevoegt: "als het maar niet zo’n gore klootzak was." Anderen laten het bijwijlen wat afweten. Ook de verstaanbaarheid is soms beneden alles. Vooral het plat Antwaarps van Pepijn Caudron en het gemompel van Luc D’Heu torpederen bepaalde pointes regelrecht de mist in.

Asem is een voorstelling die bijwijlen diepe sporen trekt. Iets te vaak wordt de lont voortijdig uit het kruitvat getrokken. De absurde tussenkomsten — een overkruipend schaap, de eerder genoemde fee — dragen daar veel toe bij. Als voorstelling an sich is Asem zeker onderhoudend. Voor echt hooligantheater had het harder, véél harder gemogen.

E-mailadres Afdrukken