Banner

Toneelgroep Ceremonia/Het Muziek Lod

Zwarte vogels in de bomen

Nimfa Tegenbos - 20 oktober 2003

Met Zwarte vogels in de bomen legt De Volder de gehavende wortels van het Vlaamse boerenleven bloot en boort tegelijkertijd een algemeen menselijke onderstroom aan in een numineuze wereld waar de schaterlach en de doodsreutel hand in hand gaan.

"Wat is het verschil tussen een stier en een flikkenauto? Bij een stier zitten de kloten vanachter." Na deze woorden wordt er hard gelachen in de zaal. Toch kan je De Volder absoluut niet beschuldigen van plat volksvermaak, integendeel. Het is immers de menselijke tragiek van dood en leven die in de voorstellingen van De Volder aan bod komt. "Ubi summus amor, ibi summus dolor" is dan ook de leuze waar deze en andere voorstellingen op gebaseerd lijken.

Voor Zwarte vogels in de bomen gingen Eric De Volder en Toneelgroep Ceremonia aan de slag met Dick van der Harst en Het Muziek Lod, zoals ook eerder het geval was met Diep in het bos en Vadria. Deze samenwerking leverde keer op keer een heerlijke dialectiek tussen woord, beeld, licht, beweging en muziek op.

De voorstelling neemt de toeschouwer mee naar de huiskamer van de familie Spiesschaerts, een verarmd boerengezin dat letterlijk en figuurlijk in de stront zit. De dood lijkt kind aan huis te zijn en treft niet alleen de varkens, maar kruipt steeds meer en meer in de kleren van het groteske gezelschap.

Door de zwaargeverfde en met groeven doorploegde gezichten wordt het leven en lijden van deze mensen aangedikt en uitvergroot. Naast de gezichten van de acteurs zijn ook hun trage en hyperbolische bewegingen bevreemdend en herkenbaar tegelijkertijd. De Volder voert ook vaak gebrekkige en verminkte personages op. Zo is in deze voorstelling één van de dochters van Spiesschaerts geestelijk gestoord, maar daarom niet minder menselijk of realistisch.

De kracht van deze voorstelling zit immers juist in de spanning tussen werkelijkheid en fictie, individualiteit en universaliteit en meer nog in een spel van aantrekken en afstoten. Ook hier geeft het groteske idioom van De Volder kleur aan het hele gebeuren. Maar meer nog dan de beelden, neemt de muziek de toeschouwer mee in een magisch universum. Enerzijds lijken de verheven Latijnse gezangen sterk te contrasteren met de dolkomische moppentapperij van mevrouw Spiesschaerts. Anderzijds sluit de keuze van Van der Harst voor dertiende- en veertiende-eeuwse ritmes naadloos aan bij de eenvoud en de authenticiteit van de dialectische woorden van de personages.

Voor de liederen liet De Volder die eenvoudige Vlaamse woorden vertalen in het Latijn. Het is echter een beetje storend dat de Nederlandse versie van deze woorden op een groot scherm wordt geprojecteerd: dat leidt de aandacht enkel af van de ritmiek en de beeldende kracht van het gezongen verhaal. Het woord wordt immers zodanig opengeplooid in de materialiteit van ritmische klankkleuren dat de zoektocht naar betekenis overbodig lijkt.

Naar het einde van de voorstelling toe gaat het melodisch gezang van het koor van in witte jurken geklede maagden over in een beangstigende schreeuw. Het lijkt een wanhoopskreet van iemand die door de hardheid van het leven is uitgeperst en platgestampt, net als de woorden die de personages uitspuwen. Dit voorbeeld laat zien dat de tekst niet centraal staat bij De Volder, maar dat woord, beeld, belichting, beweging, tekst en muziek elkaar versterken in hun hoedanigheid.

Ondanks de uiteenlopende bezetting van muzikanten, bekende en minder bekende instrumenten als de vedel, de doedelzak, de blokfluit, de theorbe en de gamba, het koor en de meer vertrouwde acteurs als Ineke Nijssen, Hendrik-Hein Van Doorn en Johan Knuts sluit deze voorstelling aan bij de andere parels van De Volder.

E-mailadres Afdrukken