Banner

Theater Zuidpool

Cockfish

Brecht Hermans - 12 november 2008

Cockfish, niet de vis maar de band. Lange haren, zonnebrillen, tattoo’s en leren jassen: Zuidpool speelt heavy metal, motherfuckers!

{image}Uiterst koel komen de bandleden één voor één het podium op en zetten zich neer in hun stoeltjes. Hun zonnebrillen verbergen hun vermoedelijk ijzig doodse blikken. De drummer begint, gitaren vallen in, dan de zang. Een ouder dametje op de eerste rij drukt haar handen tegen haar oren: het gaat er bij Zuidpool loeihard aan toe deze keer. Tussen de muziek door zien we echter een band die op sterven na dood is. Koen De Sutter kan nog net naar de koffiezet sluipen, maar meer zinnigs hoef je van hem niet te verwachten. De vijf leden van Cockfish zitten erbij en kijken ernaar. Af en toe geeuwen ze; of doen iets geks als een sumopak aantrekken of met bureaustoelen tegen een windmachine op rijden. Maar als ze iets willen zeggen, blijkt het spreken te falen. Het gaat gewoonweg niet meer.

Net als het leven voor de leden van de fictieve band Cockfish op een onoplosbare puzzel moet lijken, zo komt de voorstelling van Theater Zuidpool ook over op het publiek. Het stuk is een aaneenschakeling van absurde fragmenten uit het tamme leven achter de felle muziek. Misschien hebben de makers zich laten inspireren door de film This is Spinal Tap, maar wat die film interessant maakt, is dat Spinal Tap echt bestaat. Het leven achter de schermen van een fake heavy metalband is toch net iets minder boeiend. En erg amusant is het ook niet, want om er een coherent geheel van te maken, mist de voorstelling teveel handvatten.

Zo is het onduidelijk of het personage dat Sofie Decleir neerzet eigenlijk lid van de band is of niet. In de intro van de voorstelling spelen alle muzikanten een stukje muziek voor ons op hun ingebeelde instrumenten. Ritmes en melodieën bootsen zij verbaal na. Decleir doet hier niet aan mee. Zij wacht tot het geraas voorbij is en zal dan aan het publiek uitleggen wat heavy metal nu eigenlijk inhoudt. Daarna gaat ze weer op haar bureaustoel zitten en interviewt de mannelijke muzikanten over hoe het schrijven van de songs verloopt. Ze lijkt dus niet echt part of the band, maar in een latere scène leert ze de zanger, Pieter-Jan De Smet, wel hoe hij al grommend moet zingen. Misschien hoort ze dus toch bij de band. Dit wordt echter niet verduidelijkt in de voorstelling.

De uiteenzetting over het begrip heavy metal die Decleir voert, is in het Duits. De bandleden spreken constant in verschillende talen, in de ene al warriger dan in de andere. Alleen Nederlands is er maar heel even bij. Maar dan nog komen de personages — uitgezonderd Decleir — meestal niet verder dan enkele gebrabbelde woorden. Ligt het aan een verleden vol drugs of is het de aard van het beestje dat heavy metal heet? Communiceren van betekenis verloopt in ieder geval moeizaam. Zo vindt de enige vrouw van het gezelschap een videoclip waarin slangen konijntjes oppeuzelen komisch. De mannen vinden van niet. Zij willen er juist iets zeer ernstigs mee laten zien, maar dat komt blijkbaar niet over. Op dezelfde manier kan de hele voorstelling als komisch worden gezien, met toevoeging van enkele ernstige beschouwingen op de huidige condition humaine. Maar ook dat komt niet helemaal over.

Wie goed doordenkt over de voorstelling Cockfish kan hier of daar in de massa aan losse flarden enkele motieven ontdekken die meermaals terugkeren: man versus vrouw, het komische versus de duistere metal. Maar wat de acteurs van Theater Zuidpool, aangevuld met Pieter-Jan De Smet en Koen De Sutter, daar nu precies mee wilden bereiken, wordt niet geheel duidelijk. De voorstelling is niet grappig genoeg om komisch te zijn, niet samenhangend genoeg om serieus te zijn. Het collectief Zuidpool kan best even bezinnen, als het niet dezelfde richting als de band Cockfish wil uitpgaan.

Cockfish is nog op tournee in Vlaanderen en Nederland tot 15 januari.

E-mailadres Afdrukken