Banner

Overzichtstentoonstelling Fellini

Caermersklooster, Gent

Ewoud Ceulemans - 20 oktober 2014

“Al die vreemde mensen zijn misschien Felliniaans, maar ik ben Fellini”, zei de bekendste Italiaanse regisseur ooit na een castingsessie. Bijna alsof hij wilde zeggen: enkel omwille van mij en m’n werk hebben ze een bestaansreden. Federico Fellini was dus niet altijd even bescheiden, maar wie La Strada, La Dolce Vita en heeft gemaakt, mag dan ook wel wat pluimen op z’n hoed steken. In het Caermersklooster brengt Film Fest Gent de komende maanden hulde aan de maestro van de Italiaanse cinema.

Daarmee past Fellini in het inmiddels illustere rijtje van Stanley Kubrick, Jacques Tati, Ingmar Bergman en Martin Scorsese. (Toegegeven, Romy Schneider zat daar ook ergens tussen, maar – met alle respect voor de actrice – ze voelt toch wat aan als de vreemde eend in de bijt.) Wie die expo’s heeft bekeken, weet wel een beetje wat je van deze overzichtstentoonstelling mag verwachten, en die verwachtingen worden ook nu weer moeiteloos ingelost.

De uit het provinciestadje Rimini afkomstige Fellini is dan ook één van de weinige regisseurs wiens naam al snel een kwaliteitswerk merkt. In die mate zelfs, dat hij vanaf de late jaren ’60 die naam ook steevast in z’n filmtitels ging zetten – denk maar aan Fellini – Satyricon (1969), Fellini – Roma (1973) of Fellini Casanova (1976). (Naast z’n meest zelfgenoegzame zijn dat jammer genoeg ook vaak z’n minst sterke films.) Dat de expo erin slaagt om de vinger te leggen op wat een Fellini-film een Fellini-film maakt, is dan ook niet minder dan indrukwekkend.

Daarvoor wordt de chronologie van ’s mans leven en oeuvre volledig overboord gegooid. In de plaats daarvan ontwaart de tentoonstelling een aantal rode draden die doorheen Fellini’s werk zijn geweven. Ze komen allemaal samen in La Dolce Vita (1960), de film die het meest prominent aanwezig is in dit geëxposeerde overzicht. Logisch ook: het magistrale opus van drie uur is één van Fellini’s beste en meest herkenbare films, en de scène waarin Anita Ekberg in de Trevi-fontein baadt is iconisch.

La Dolce Vita, een film over het mondaine leven in Rome en alle heisa die daarmee gepaard gaat (de synopsis van La Grande Bellezza klinkt niet toevallig opvallend gelijkaardig), is een ideale staalkaart voor Fellini’s oeuvre. De voluptueuze vormen van de Zweedse actrice Anita Ekberg incarneren de voorliefde van de Italiaanse regisseur voor het vrouwenlichaam – of toch voor het beeld dat Fellini van een vrouwenlichaam had – maar ook zijn voorliefde voor karikaturen. Alvorens hij meewerkte aan scenario’s van neorealist par excellence Roberto Rossellini, stond Fellini immers bekend als een begaafd karikaturist – z’n hele carrière lang zou hij dan ook groteske en vaak hilarische tekeningen en schetsen blijven maken. Zijn vreemde passie voor freaks, circusfiguren en andere groteske personages valt zo te verklaren.

Het meest centrale thema van La Dolce Vita draait echter om de magie die van beelden kan uitgaan, en dan hebben we het niet enkel over het gigantische Christusbeeld dat aan het begin van de film per helikopter over Rome vliegt. La Dolce Vita is de film die het woord “paparazzo” het leven inblies: Fellini is dan ook gefascineerd door wat beelden en foto’s kunnen vertellen. Van televisie moest de man niet veel weten, beseft iedereen die Ginger e Fred (1986) ooit heeft gezien, van cinema des te meer. De tentoonstelling toont Fellini als een auteur die absolute controle wilde over het werk dat hij maakte: als samenwerkingen met Marcello Mastroianni, Nino Rota (“Filmmuziek is van ondergeschikt belang”, aldus Fellini) en zijn echtgenote Giulietta Masina enigszins onderbelicht blijven, valt het daaraan te wijten.

De verschillende stappen in het filmproces worden ook opgelijst; een scenario schrijven was voor de regisseur een noodzakelijk kwaad, de belangrijke maar moeilijke eerste stap naar een nieuwe film. Acteurs moest je voordoen hoe ze zich moesten gedragen en hoe ze moesten bewegen; de dialogen waren voor later, in postproductie, waarin Fellini voor elk personage de geschikte stem kon kiezen. Door de lens kijken was de taak van de cameraman; Fellini stond graag midden in de actie, zodat hij de boel het best kon regisseren. Het sluit niet voor niets nauw aan bij het beeld dat je van regisseurs krijgt in het zelfreflexieve meesterwerk (1963).

Niet iedereen was het eens met dat beeld. Fellini’s doorbraakfilm La Strada (1954) zorgde voor heel wat controverse in de Italiaanse en Europese filmwereld: linkse filmmakers verweten Fellini dat zijn werk “niet politiek” was, of zelfs “katholiek”, en wreven hem aan dat hij de rijke Italiaanse traditie van het neorealisme had verraden. De tentoonstelling toont een interview met Cesare Zavattini, de scenarist van onder andere Ladri di biciclette (1948) en Umberto D. (1952), en één van Fellini’s felste critici. Over de erfenis van Rossellini wordt dan weer Fellini zelf aan het woord gelaten: die beweert dat Rossellini zijn “liefde voor film” heeft aangewakkerd, maar dat diens neorealistische stijl hem nauwelijks aanspreekt.

Misschien hadden er wel meer van zulke kritische stemmen aan bod mogen komen in deze overzichtstentoonstelling. Over de persoon die Fellini was, kom je niet al te veel te weten: waar hij de inspiratie haalde voor de overspelfilm Giulietta degli spiriti (1965), waarin Giulietta Masina andermaal de hoofdrol speelde, zwijgt de expo bijvoorbeeld in alle talen. Bovendien wordt ook over zijn erfenis bitter weinig gerept: meestercineasten als Martin Scorsese, David Lynch, Terry Gilliam, Woody Allen en François Truffaut werden allemaal rijkelijk beïnvloed door de maestro, maar komen niet aan bod. Maar wanneer je aan het einde de fonteinscène uit La Dolce Vita of twintig minuten uit te zien krijgt, begrijp je weer helemaal waarom de focus enkel en alleen op Fellini ligt: omdat iemand die zo’n films maakt, dat nu eenmaal verdient.

De expo Fellini loopt nog tot 25 januari in het Caermersklooster in Gent.
E-mailadres Afdrukken