Banner

Collectieonderzoek III. Kunst in Europa na ’68

S.M.A.K., Gent

7.0
Dagmar Dirkx - 09 oktober 2014

Hoe eer je een man wiens bevlogenheid de actuele Europese kunst eindelijk de Belgische ademruimte schonk die ze verdiende? Door de scharniertentoonstelling Kunst in Europa na ‘68’ uit 1980 opnieuw te belichten en diep in de eigen boezem van de collectie te kijken, bedacht het Gentse Stedelijk Museum voor Actuele Kunst. Een gepaste en toegankelijke ode aan haar bezieler, zo blijkt het resultaat.

alt

Het zijn de palmbomen van kunstenaar Marcel Broodthaers’ “L’entrée de l’exposition” uit 1974 die de bezoeker luchtig verwelkomen. Combineer diezelfde palmbomen met de pastelkleuren van het grafische ontwerp van Richard Venlet, zijn palet afstemmend op de kleuren en vormen van de originele expositie, en het museum baadt meteen in een lichtvoetige atmosfeer. Die speelsheid vormt een eerste rode draad in de expositie. In “Bilder von Feldmann” uit 1976-1977 vertonen ingekleurde fotokopieën van topkunstwerken – van de hand van Caspar David Friedrich of Dominique Ingres – een haast kinderlijke naïviteit. Toch trok kunstenaar Hans-Peter Feldmann hiermee niets minder dan de echtheidswaarde van de fotografie in twijfel. Zo schuilt een diepgewortelde kunsthistorische problematiek achter de ingekleurde fotokopieën. In “Das Welttheater 79” uit 1979 tekent de conceptuele kunstenares Hanne Darboven cartooneske figuren die telkens verschijnen vanachter een toneelgordijn. Opnieuw ontpopt zich hier achter die schijnbaar banale, kinderlijke tekeningen een complexere kwestie, deze keer de transparantie van de media bevragend. De bezoeker hoeft gelukkig geen notoire kunstkenner te zijn om zijn fantasie hier de vrije loop te laten.

Toch staat de charmante onbezonnenheid van Feldmann of Darboven bijlange niet garant voor alle kunstwerken in de expositie. Het jaar 1968 – denk vooral aan mei ’68 of de Praagse Lente – prijkt niet zomaar op de affiche in 1980. Rebelsheid en het radicaal over de boeg gooien van alles wat tot de gevestigde kunstenaarsorde behoorde, waren een kolfje naar de hand van Jan Hoet. De ruimtes in het S.M.A.K. dragen met politieke werken van kunstenaars als Giulio Paolini of Hans Haacke nog de passie van de recentelijk overleden Vlaamse kunstpaus uit. Wie even tijd heeft, bekijkt liefst het videofragment aan het begin van expositie. Daarin legt een vurige Jan Hoet uit waarom net het Europese aspect zo belangrijk voor hem is: de Europese kunstenaar draagt context en geschiedenis hoog in het vaandel, maar heeft vooral nog een fysieke band met zijn eigen werk – in tegenstelling tot vele Amerikaanse kunstenaars. Misschien is de spirit van Hoet wel het meest aanstekelijke aspect van Collectieonderzoek III.

De curatoren vermijden echter de valstrik om van de expositie een exacte kopie naar haar voorganger uit 1980 te maken. Slechts enkele werken uit de hedendaagse expositie werden meer dan dertig jaar geleden daadwerkelijk tentoongesteld; de andere werken werden pas later aan de collectie toegevoegd. Met documenten, video- en geluidsfragmenten van de originele expositie krijgt de bezoeker een goed zicht op het prille Gentse museum en haar worstelingen om een degelijke verzameling te verwerven. De aankoop van controversiële werken als Joseph Beuys’ “Wirtschaftswerte” of Panamarenko’s “Aeromodeller” had heel wat voeten in de aarde – zo is bijvoorbeeld te horen op een fragment uit 1980 van een discussie op de gemeenteraad Gent. Nergens blijkt het archiefmateriaal onverteerbaar en de toeschouwer wordt – net als bij de werken trouwens– voldoende geïnformeerd over de context.

Een tentoonstelling om mooi in te kaderen dus, maar nooit wordt de bezoeker werkelijk van zijn sokken geblazen. Ondanks de uitleg blijven sommige werken nog te zeer in het ijle hangen – denk aan het erg conceptuele werk van Stanley Brouwn – en overtuigen niet, zelfs niet met hun kunsthistorische belang als opvangnet. De rebellie en de speelsheid van de werken riskeren bij momenten te vervallen in een zekere vrijblijvendheid. Het ‘dit-moet-je-gezien-hebben-effect’ blijft uit en zo wordt Collectieonderzoek III. Kunst in Europa na ’68 een aangenaam intermezzo, maar niet meer dan dat. Laat het dan vooral de figuur van Jan Hoet zijn die ons bijblijft, zoals we hem altijd kenden, maar zeker niet zullen vergeten.

Collectieonderzoek III. Kunst in Europa na ’68. loopt nog tot 15 maart 2015 in het S.M.A.K., Gent

E-mailadres Afdrukken