Banner

Hiëronymus Cock - De Renaissance in prent:: Museum M in Leuven

8.0
Gino Vandenborne - 26 april 2013

Iedere Vlaming kent Pieter Brueghel de Oudere. Terwijl zijn 43 gekende en nog bestaande schilderijen een unieke maar kleine verzameling vormen, is zijn grafisch werk wat uitgebreider. Maar het zou er nooit gekomen zijn zonder de inspanningen van de kunstenaar/graficus die deze prenten publiceerde, en die Museum M in Leuven nu onder de aandacht tracht te brengen: Hiëronymus Cock.

alt

Het curatorendriemanschap Joris Van Grieken, Ger Luijten en Jan Van der Stock, poogt aan te tonen dat Cock in de zestiende eeuw niet alleen zakenman, was maar eerst en vooral kunstenaar.

Een inleidend deel op de eerste verdieping rond de graficus Cock onderbouwt deze stelling. Cock (1517/1518-1570) kreeg op 11 januari 1549 de toelating om prenten te drukken en te verspreiden. Volgens de curatoren bleek hij toch niet de juiste man op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Maar hoe kwam hij ertoe die juiste beslissingen te nemen en welk is de tijdsgeest die dit mogelijk maakte? We krijgen de uitleg voorgeschoteld dat zijn woonplaats Antwerpen de rijkste stad van Noordwest-Europa was, met een internationaal publiek dat klaarstond om grote sommen te besteden aan het nieuwe product dat Cock aanbood en dat via de boekdrukkunst helemaal in zwang raakte: grafische prenten. Toch richt dit deel zich volledig op het feit dat Cock en zijn echtgenote Volxcken Derikx (ca 1525-1600) het uitgevershuis In de vier winden oprichtten. De band tussen de uitgeverij en de belangrijkheid van de beslissingen blijft echter onbesproken.

In het tweede deel, “De ruïnes van Rome en de interesse voor de oudheid”, wordt deze uitleg echter beter ingekleurd, want enkel een kunstenaar kan de selectie uit belangrijke en minder belangrijke zaken maken uit het vele materiaal uit deze periode.

Het derde deel, “Italië aan de Schelde”, geeft een doordringend beeld van het vakmanschap van de uitgever. Het slaagt erin aan te tonen dat via het reproduceren van werken rond bouwwerken via zijn samenwerking met de Italiaanse kunstenaar Giorgio Ghisi (1520-1582) Cock immers de Italiaanse architectuur in onze streken ‘internaliseerde‘

De beste indicator of een uitgever succes kent, is volgens de curatoren het kopiëren van zijn methode. Het vierde deel, “Hieronymus Cock en de Italianisanten”, toont inderdaad weer duidelijk aan dat de werkmethode de afzetmarkt van Cock vergrootte: van Heemskerk in Haarlem, nagevolgd door Lambert Lombard in Luik, door Frans Floris in Antwerpen. Alleen ontbreken getuigenissen uit die periode, men neemt dus maar aan dat deze personen zich erdoor lieten inspireren.

Perfect wordt de tentoonstelling bij het aantonen van wie het uitgeven van dergelijke gravures financierde. Inderdaad, er was een solide financier nodig: religieuze instellingen. In een tijdperk waarin men maar kort leefde, doken vragen over hel, hemel en laatste oordeel maar al te vaak op. Opleiden in goed en slecht gebeurde sinds de vroege middeleeuwen door middel van etsen rond bijvoorbeeld de zeven deugden en de zeven ondeugden. Pieter Brueghel de oudere maakte prachtige voorstudies voor ondeugden zoals “Gula” of deugden zoals “Justitia”. De gravures volgden. Gedrukt door Cock. Het embleem van de tentoonstelling “De belegering van de olifant” past ook in de verstikkende invloed die het wereldbeeld van de kerk via het gravurewerk van Cock op haar gelovigen uitoefende.

In deel zes rond “Bosch, Bruegel en de Nederlandse traditie” raakt de tentoonstelling verdronken in de gravures; allemaal even mooi zonder twijfel, maar er heerst een overdaad wanneer men toont waar Brueghel de inspiratie voor zijn prenten zoals “De grote vissen eten de kleine vissen“ (letterlijk zo afgebeeld en waarschuwing voor hebzucht) haalde: bij Hiëronymus Bosch. Hele rijen voorbeelden maken het punt duidelijk maar het punt zou sowieso ook gemaakt zijn.

Deel zeven rond architectuur en ornament en deel acht “Plus ultra” hebben als doel aan te tonen dat Cock ook een gezagsgetrouw persoon moet geweest zijn. De in Brussel uitgegane rouwstoet rond het overlijden van Karel in het klooster van Yuste in Spanje in 1558 werd vereeuwigd door Cock: over een vijftal meter zien we in prachtige kleuren een overzicht van alle notabelen van die tijd die mee opgingen. Maar dit conflicteert weer wat met die prachtige kaart van Spanje uit 1557, die tot in 1571 de norm bleef voor de cartografie van deze streken: werk van een vakman of toch een invloed ondergaan van het gezag ? Het wordt niet duidelijk.

Nog tot 9 juni in Museum M; open van maandag tot en met zondag van 11 uur tot 18 uur, op donderdag tot 20 uur. Woensdag enkel voor groepen.

E-mailadres Afdrukken