Banner

Anton Kusters – Odo Yakuza Tokyo

C-mine Cultuurcentrum, Genk

Guy Peters - 18 april 2013

Toen Anton Kusters’ fotoboek over de Yakuza in 2011 verscheen, was de respons haast overweldigend. De Japanse maffiafamilies hebben het doorgaans immers niet zo begrepen op media-aandacht, en hun extreem gesofisticeerde regelcultuur is erg intimiderend voor niet-ingewijden. Kusters’ inkijk was dus een revelatie. Twee jaar later kan je in Genk terecht voor een greep uit een project dat tussen het oorspronkelijke idee (verder dan een “zou dàt geen goed idee zijn”-verhaal moet je het niet eens zoeken) en het afronden ervan enkele jaren in beslag nam.

Hasselaar Kusters (°1974) en zijn in Japan werkende broer deden er tien maanden over om toestemming te krijgen om mee te lopen in het zog van de Yakuza. De uitbater van een punkbar uit het Shinjuku-district had naar verluidt z’n leven in de schaal gelegd om de bende te overtuigen. Kusters zou uiteindelijk over een periode van twee jaar (waarin hij heen en weer reisde tussen België en Japan) een inzicht gegund worden in de wereld van de zelfverklaarde witteboordencriminelen. Dat is althans wat hem verteld werd, want Kusters kwam zelden of nooit rechtstreeks in contact met (gewelddadige) criminaliteit.

Nochtans was het aanvankelijk een zeer intimiderende ervaring. “Het is moeilijk. Het is angstaanjagend. Ik leer heel traag”, schrijft de fotograaf bij het begin van zijn reeks. Is de Japanse cultuur sowieso al wat sterker gericht op rituelen en tradities dan de onze, dan geldt dat in nog veel sterkere mate voor de Yakuza, waar elk z’n plaats kent in de hiërarchie, intonaties en knikjes volstaan om meningen of opdrachten te geven en voor buitenstaanders alles gehuld is in een waas van onduidelijkheid en stilzwijgende intimidatie.

Dat weerspiegelt zich ook in Kusters’ foto’s. Die zijn vaak wel erg zorgvuldig vastgelegd, maar er was duidelijk geen sprake van lange voorbereidingen of van doordachte ensceneringen. Nergens zijn deze foto’s gekunsteld. Kusters mocht een onzichtbare getuige zijn en daar bleef het bij. Het gevolg: veelal onderbelichte foto’s met grote schaduwpartijen en vaak ook troebele contouren. Je ziet vooral mannen in strakke maatpakken en ernstige gezichten die voortdurend meedoen aan een ondoordringbare, ceremoniële dans.

De nadruk op schaduwen, schimmen en interieurfoto’s en de aanwezigheid van een geel/groene filter over veel van de foto’s zorgt ervoor dat het allemaal erg modern en gestileerd oogt, maar het verandert niets aan het feit dat de tentoonstelling een reeks erg sterke beelden laat zien. Een zakenman die zich in een limousine laat fotograferen, een bendelid dat zich op de traditionele manier laat tatoeëren, nachtelijk Tokyo: ze volgen allemaal codes die geen verduidelijking behoeven.

Kusters was aanwezig bij heel wat bijzondere momenten: niet alleen bij bijeenkomsten van sleutelfiguren binnen de organisatie, maar ook in een afgelegen trainingskamp voor nieuwe leden. Daar wordt gemediteerd, gewerkt en worden er gevechtstechnieken aangeleerd. Ze krijgen de kunst van de ‘eliminatie’ onder de knie. Al even intrigerend zijn de platonische relaties die zich ontvouwen in de nachtclubs en, natuurlijk, al net zo’n rigide set van regels volgen. Soms jarenlang. De fotoreeks toont een subcultuur die een uitvergroting is van een traditie van eerbaarheid, volgzaamheid en respect.

Dat gedrag moet doorgaans niet eens afgedwongen worden met grof geweld, want respectabele leden wéten wanneer ze te ver zijn gegaan, te weinig respect getoond hebben. En als het écht over grote misstappen gaat, dan moet er desnoods een vingerkootje aan geloven. Dat verwijderen ze dan zelf. Liever dat dan verstoten worden, want de Yakuza is als een familie, een baken van loyaliteit en zekerheid. Het geheel waakt over zijn leden en hun families.

Kusters drong heel ver door in de cultuur, want hij mocht zelfs de begrafenis van een kopstuk bijwonen, iets dat normaal strikt voorbehouden is voor leden. Ondanks die intieme glimp kan je je natuurlijk niet van de indruk ontdoen dat de fotograaf enkel het plaatje te zien kreeg dat hij mocht zien, maar die spanning tussen enerzijds de nadruk op het ritualistische en het merkwaardige ritme en anderzijds het onbekende dat niet uitgesproken of getoond wordt, maakt deze foto’s net zo indringend. Veel meer dan de eerste grote foto, die van de getatoeëerde rug vol dierenmotieven en priemende ogen die met trots gedragen wordt, moet je niet zien om de sfeer van raadselachtigheid en de subtiele, maar steeds aanwezige dreiging te voelen. De prachtige inkleding met Japanse matten en gordijnen van rijstpapier versterkt enkel nog het effect.

De tentoonstelling is tot 19 mei elke dag te bezichtigen van 10-17u in het C-mine Cultuurcentrum van Genk. Toegang is gratis.

E-mailadres Afdrukken