Banner

Eric-Emmanuel Schmitt

Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven

Hildegart Maertens - 06 januari 2012

Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven is niet het eerste boek dat de Frans-Belgische auteur Eric-Emmanuel Schmitt over klassieke componisten schreef. Mijn leven met Mozart was een eerste poging en er zouden nog teksten volgen over Bach en Schubert. Als die boeken slechts hetzelfde niveau halen als zijn jongste uitgave, is het echter niet echt uitkijken naar de twee opvolgers.

Wie zich dit boek aanschaft valt gelukkig niet integraal in de negativiteit. Bij Beethoven is dood komt immers een aangename cd met een aantal goede, oude opnames van de muziek van de componist. Bruno Walter en Wilhelm Furtwängler waren twee vooraanstaande dirigenten en onder melomanen gelden hun uitvoeringen nog steeds als referenties voor het repertoire. Toch is de uitvoeringspraktijk vandaag de dag helemaal anders dan bijna een eeuw geleden en het beeld dat men van Beethoven krijgt via de bijgevoegde cd, zal leken niet echt weten te enthousiasmeren voor Beethovens muziek. Allicht heeft de eenzijdige keuze voor oude opnames te maken met vervallen copyright, wat ergens ook begrijpelijk is. Met de recente Chailly-cylcus bijgevoegd, zou dit boek ongetwijfeld het dubbel van de prijs moeten kosten.

Wat de muziek aan pracht, diepgang en essenties te bieden heeft, compenseert Eric-Emmanuel Schmitt grotendeels met oppervlakkigheid. Zijn schrijfstijl is zoals geweten transparant en dat hoeft weliswaar geen nadeel te zijn. Het lijkt stilaan de mode dat auteurs vanuit een populistische inslag pleiten voor de heropwaardering van bepaalde componisten. Het voorbeeld bij uitstek is het dit jaar verschenen boek over de cellosuites van Bach door de Amerikaanse poprecensent Eric Siblin. Het is paradoxaal dat gedacht wordt dat leken via breed georiënteerde boeken tot een ware passie zouden komen voor muziek waaraan een zekere complexiteit en vormvastheid inherent is. Natuurlijk kan men ongecompliceerd genieten van Beethoven, Mozart of Bach, maar de ware liefhebber ontwikkelt gaandeweg een bepaald doorzicht dat het esthetisch genoegen aanzwengelt. Uit wat Eric-Emmanuel Schmitt schrijft, kan men alleen maar afleiden dat de man een matige Beethoven-kenner is, iemand die nooit diep genoeg ontroerd is geweest door de componist om er een volledig boek aan te wijden.

Beethoven is dood valt uiteen in twee delen. Het eerste deel, waarin Schmitt over de “impact” schrijft die Beethoven op zijn eigen leven heeft gehad, is de meest waardevolle. Het boek leest op dat moment aardig weg en hoewel de auteur het geregeld over zichzelf heeft in plaats van over de componist, gaat het boek dan nog niet ergeren. Het tweede deel, waarin Schmitt de lezer laat kennismaken met Kiki en haar zelfverklaarde liefdesverhouding voor Beethoven, is meer dramatisch. Het boek neigt in deze passages naar regelrechte oppervlakkigheid en het nut van dit experimentele toevoegsel, dat Schmitt schreef voor hij aan het eerste deel begon, wordt nooit helemaal duidelijk. Dat het een fictief exemplaar is van wat de schrijver in het eerste deel weergeeft, is doorzichtig. Maar waar is de tweede laag die al dit kan rechtvaardigen?

Beethoven is dood terwijl er zoveel idioten leven bewijst twee zaken: ten eerste levert een mooie titel nog geen dito boek op en ten tweede is het niet echt interessant dat auteurs vandaag de dag aan de hand van zichzelf over een ander kunstenaar proberen te schrijven. De monografie van Georg Büchner over Jakob Lenz of het essay van Milan Kundera over Francis Bacon daar gelaten, lijkt het een formule die geregeld de mist in gaat. Daarom liever reguliere romans van Eric-Emmanuel Schmitt, die meer ontroeren via fictieve literatuur dan via deze “reflecties” rondom Beethoven.

E-mailadres Afdrukken