Banner

Paterculus

Van Troje tot Tiberius

Jurgen Boel - 09 december 2011

”Wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd ze te herhalen” behoort tot de bekendste uitspraken die over de discipline de ronde doen. Al even bekend is de opmerking dat “geschiedenis geschreven wordt door de overwinnaars”, waarbij het tweede paradoxaal genoeg het eerste niet dient te ondergraven, al wordt dat laatste al eeuwenlang tegengesproken.

Wie daar mee van kan spreken is de Romein Velleius Paterculus wiens Historia Romana (de titel die het kreeg in de 16e eeuw) eeuwenlang verguisd werd als ahistorisch en geschreven op maat van een keizer waarvan iedereen wist dat het een monster was. Tiberius, want over die keizer gaat het, werd door latere (geschied)schrijvers waaronder Suetonius en Tacitus afgeschilderd als een monster en onverlaat waardoor de hulde die Paterculus aan zijn tijdgenoot en keizer bracht, meteen zijn naam en hele werk in diskrediet bracht.

De geschiedenis is echter (en gelukkig maar) een nukkige minnares die continu nieuwe eerbewijzen wenst en zich maar al te graag wentelt in de historische kritiek. Met het in eer herstellen (of althans gedeeltelijk) van Tiberius, kwam ook Paterculus’ werk in een nieuw daglicht te staan en werd de voorheen zo verguisde geschiedschrijving in een nieuw daglicht geplaatst waarna bleek dat zijn inspanningen niet geheel onverdienstelijk waren en een mooie aanvulling vormden op andere overgeleverde werken uit dezelfde periode.

Maar Paterculus schreef niet voor de eeuwigheid, zijn werk was bedoeld voor tijdgenoten die de door hem beschreven feiten en gebeurtenissen maar al te goed kenden. Het boek zelf was opgedragen aan Marcus Vinicius, ter ere van diens consulaat. In de oudheid was het gebruikelijk dat auteurs een boek aan een voornaam man opdroegen, uiteraard met het achterliggende idee dat de ene (vrienden)dienst de andere waard was. Op zich hoefde dat evenmin te betekenen dat het werk op zich daardoor geen waarde zou hebben, zoals een aantal gedichten van bijvoorbeeld Vergilius bewijzen.

Dat Paterculus’ werk niet noodzakelijk nieuwe inzichten naar voor wenst te brengen, heeft als belangrijkste gevolg dat een aantal zaken voor een moderne lezer minder duidelijk zijn. Bovendien gaat Paterculus voorbij aan een belangrijk aspect van de geschiedschrijving, namelijk het verklaren van zaken, en opteert hij liever voor een louter chronologische beschrijving waar hij morele oordelen (niet ongewoon voor die tijd) aan koppelt. Het zijn ‘fouten’ die meteen kanttekeningen plaatsen bij de waarde van zijn werk, al staat daar dan weer tegenover dat hij meticuleus te werk gaat en dat hij als tijdgenoot van onder meer Augustus en Tiberius de opkomst van de keizers van op de eerste rij meemaakte.

Het verleent aan het werk het unieke standpunt van iemand die in tegenstelling tot de latere geschiedschrijvers nog niet weet welke plaats Augustus in de geschiedenis opnemen zal, waardoor de aandacht voor deze keizer niet buitensporig groot wordt en ook zijn voorganger(s) alsmede zijn (voormalige) medestander voldoende aandacht krijgen. Bovendien valt er tussen de lijnen door kritiek te lezen op de hervormingen die Augustus doorvoerde, wat in de wetenschap dat Paterculus een senatorfunctie bekleedde onrechtstreeks een licht helpt schijnen op hoe Augustus door deze klasse beoordeeld werd.

Van Troje tot Tiberius. De geschiedenis van Rome is de eerste vertaling in het Nederlands van Paterculus’ werk (of althans van het gedeelte dat bewaard gebleven is) en biedt een interessante inkijk op hoe een tijdgenoot van de eerste keizers de geschiedenis van zijn rijk schreef. De voorzichtige kritiek en soms (schijnbaar) overdreven lof hebben Paterculus onterecht een beladen naam gegeven. En hoewel er zeker kanttekeningen te plaatsen zijn bij zijn geschiedwerk -- ook literair laat het soms te wensen over -- is een (kleine) rehabilitatie zoals dit werk bewijst zeker terecht.

E-mailadres Afdrukken