Banner

Dezso Kosztolanyi

De avonturen van Kornel Esti

Jurgen Boel - 30 november 2011

De Hongaarse schrijver Dezs? Kosztolányi (1885-1936) geniet niet dezelfde roem als zijn landgenoot en bewonderaar Sándor Márai, nochtans bewijzen de paar werken van hem die in het Nederlands vertaald zijn -- Leeuwerik op kop -- dat Kosztolányi ook buiten zijn eigen taalgebied recht op (her)ontdekking heeft.

De verhalenbundel De avonturen van Kornél Esti is enerzijds een vervolg op het in 2007 vertaalde De belevenissen van Kornél Esti (ook bekend onder de titel De bekentenissen van Kornél Esti) en anderzijds een op zichzelf staande bundel kortverhalen waarin voornoemde Esti in de helft opduikt als hoofdpersonage. Kornél Esti is het type schelm waarmee Kosztolányi zichzelf graag vereenzelvigde, geen wonder dus dat het personage als schrijver optreedt ook al lijkt hij meer door het leven te flaneren dan zich aan het schrijven van (nieuw) werk te zetten.

De kleine tranches de vie die Kosztolányi voorschotelt, geven een mooi beeld van het Hongarije tijdens het interbellum waar studenten en leden van de hogere klasse zich vooral uitleven in badinerende gesprekken en filosoferen over triviale zaken alsof het dagelijkse leven geen vat op hen heeft. Dat leidt de ene keer tot op het randje van groteske verhalen over hoeden en hoe men er om rouwt (“De hoed”), een andere keer tot pseudofilosofische overpeinzingen (“Geluk”, “Leugens”) of zelfs schijnbaar doelloze vertellingen (“Oorvijg”, “Omelette à la Warborn”). Ook in de verhalen waar Esti niet opdraaft, duikt eenzelfde mix van melancholie, alledaagsheid en hang naar een absurde en surreële banaliteit op.

Een belangrijk verschil met de Esti-verhalen is de wrangheid die in een aantal verhalen binnensluipt (“De Amerikaan”, “De Chinese kan”) en soms zelf op het randje van schrijnend is (“Tailor For Gentleman”, “Struisvogelpolitiek”). Toch weet Kosztolányi ook in deze verhalen een vreemdsoortige humor te hanteren die zelden een schaterlach uitlokt maar veeleer een soort herkenbaar goedkeurend knikken (“De vestiaire”, “Mijn bescheiden vriend”) dat soms op het randje van de absurditeit balanceert (“De Amerikaanse jongeman”, “Heinz”) en zo zelfs naar Kafka knipoogt.

De beheerste schrijfstijl, literair maar nooit weelderig, en het vermogen zelfs in enkele pagina’s een heel leven te schetsen, maken van Dezs? Kosztolányi een zeldzaam talent dat tot op heden te lang in de schaduw van beroemdere land- en tijdgenoten is blijven staan. De paar vertaalde werken maken duidelijk dat hier een schrijver aan het werk is die het verdient om bij een groter publiek bekend te zijn. Waar een roman als Leeuwerik bewijst dat hij werk van een langere adem moeiteloos beheerst, toont De avonturen van Kornél Esti aan dat Kosztolányi evenzeer een meester van het kortverhaal is.

E-mailadres Afdrukken