Banner

Sandor Marai

Vrede op Ithaca

Hildegart Maertens - 04 november 2011

De in het huidige Slovakije geboren auteur Sándor Márai staat bekend om een aantal schitterende boeken. Wie De nacht voor de scheiding, Gloed, Kentering van een huwelijk, De Opstandigen en De erfenis van Eszter gelezen heeft, zal allicht kunnen beamen dat het boeken zijn die de lezer nooit meer loslaten. In vergelijking daarmee is de in 1952 verschenen mythische parabel Vrede op Ithaca een stuk minder tot de verbeelding sprekend.

Béke Ithakában is een van de latere grote romans die Sándor Márai zou schrijven. Het werk dateert uit 1952 en kwam tot stand nadat de auteur zijn thuisland was ontvlucht en zich in de Verenigde Staten had gevestigd. Hij zou daar nog tot in februari 1989 blijven leven, maar de voornaamste productie aan romans waar sedert het jaar 2000 bij ons interesse voor is, schreef Márai toen hij nog in zijn thuisland verbleef. Na zijn emigratie werd zijn werk in Hongarije en de omliggende landen door het communistische regime geweerd. Vanuit de Verenigde Staten bleef Márai echter in zijn moedertaal publiceren, waardoor hij slechts een klein publiek bereikte. Vereenzaamd en miskend pleegde de auteur dan ook zelfmoord op 88-jarige leeftijd. Dat bleek een daad die de wereld zou wakker schudden: postuum kreeg Márai internationaal extra aandacht en in België en Nederland begonnen de vertalingen vanaf het nieuwe millennium aardig binnen te stromen, met intussen een tiental titels tot gevolg.

Binnen de productie die men momenteel in het Nederlands kan ontdekken, is Vrede op Ithaca zowat een buitenbeentje. Niet menselijke relaties staan deze keer centraal, maar wel het doen en laten van de Griekse goden en hoe die zich verhouden tot de gewone stervelingen. De goden zijn voor Márai simpelweg een aanleiding om toch over de mens en hoe die functioneert te schrijven, zoals ooit de fabels van Jean de La Fontaine vol kritiek op de medemens zaten. Márai kan echter minder goed overweg met de overstap van mens naar godheid. De constructie is dan ook niet bepaald eenvoudig: het verhaal wordt verteld vanuit drie verschillende personages en daarmee maakt de auteur het zichzelf misschien extra moeilijk. Een eerste perspectief is dat van Penelope, de vrouw van Odysseus (in het boek consequent Ulysses genoemd, omdat Odysseus zou verwijzen naar de mythische figuur en Ulysses naar de mens achter de mythe), het tweede dat van Telemachus, Ulysses’ zoon en ten slotte is er ook Telegonus, zijn bastaardzoon. Wat Márai daaruit laat volgen zijn drie verschillende verhalen over het leven van Ulysses, waarbij zich steeds de vraag opdringt in welke mate wij de ander echt kunnen leren kennen. De “onkenbaarheid van de ander” wordt immers manifest gemaakt door middel van de expliciet verschillende invalshoeken die Ulysses telkens anders belichten. Als uitgangspunt is dat weliswaar zeer interessant, maar een beklijvende roman heeft dat niet opgeleverd.

Het voornaamste probleem zit hem in de goddelijke en mythische figuren, die Márai redelijk krampachtig universele trekken probeert mee te geven. Hun historische situering maakt het echter, anders dan in Márai’s andere werk, zeer moeilijk om hen los te zien van de tijd en de ruimte waarin ze circuleren. Het gevolg is een roman waarmee de lezer zich moeilijk kan identificeren, tot het laatste verhaal. Telegonus, de bastaardzoon die koste wat het kost te weten wil komen wie zijn echte vader is, krijgt van de schrijver wel zeer menselijke trekken mee, die zijn relaas niet alleen dieptragisch maken, maar ook veel vlotter doen lezen. Telegonus’ zoektocht leidt tot een harde confrontatie met de menselijke tekorten, prachtig uitgewerkt door Márai.

In zijn geheel is de roman echter te weinig aangrijpend. Dat Márai wel degelijk met deze verhaalstructuur om kan, bewees hij later in het meesterwerk Kentering van een huwelijk, waarvoor Vrede op Ithaca haast een voorbereidende studie lijkt.

E-mailadres Afdrukken