Banner

Midas Dekkers

Rood. Een bekoring

Jurgen Boel - 11 juli 2011

“Ik ben een hele fatsoenlijke man. Maar in mij woont een vies mannetje en die heeft die roodharige vrouwen al eerder in het snotje dan ik. En die laat mij stilstaan. En dan, ja, het beneemt mij echt de adem, nog steeds, iedere keer weer. Het is zo mooi!” Aldus Midas Dekkers, Nederlands bekendste bioloog tijdens een televisieuitzending in 2003.

Het zou nog acht jaar en een non-fictieboek over sport (Lichamelijke oefening) vragen eer Dekkers het “vies mannetje” in zich zou toelaten om eindelijk een lofdicht neer te pennen over datgene wat hem al sinds zijn jeugdjaren zo begeesterde: rood(harigen). Maar Dekkers zou Dekkers niet zijn als hij zijn object van verering niet met eenzelfde mix van milde (zelf)spot en wetenschappelijke feiten -- die alleen hij zo treffend op smaak weet te brengen -- zou benaderen als de andere onderwerpen die hij in oudere werken onder de loep nam.

Met een terzijde over jonge meisjes die hun prille seksuele gevoelens op paarden overbrengen terwijl jongens druk bezig zijn zich te verdiepen in techniek en de waarde van koperdraad ontdekken, wordt meteen een mooi startschot gegeven. Jammer genoeg verliest Dekkers al snel daarna de draad van zijn verhaal en vindt hij die niet meer terug. Want waar hij in zijn andere boeken netjes het thema vanuit steeds een andere invalshoek weet te benaderen, blijft hij hier rond de hete brij draaien.

Ja, zijn fascinatie voor roodharigen duikt in elk hoofdstuk opnieuw op en het genot dat de combinatie van het vlammende haar, de porseleinen huid en de vele sproeten bij liefhebbers maar al te gekend is, wordt met verve beschreven. Maar dat volstaat niet. Dekkers lijkt ondanks zijn jarenlange obsessie maar geen vat te krijgen op zijn onderwerp en slaagt er maar niet in om zijn weetjes, feiten en grappige terzijdes tot een coherent geheel te vormen. Het hele boek lijkt op een samenraapsel van stukjes uit zijn verschillende televisieprogramma’s: het vergt nauwelijks verbeelding om de zinnen op Dekkers ironisch mompelende wijze te horen, alleen zijn ze chaotisch door elkaar gegooid.

Er wordt wel geregeld teruggegrepen naar de rode draad (kuch) die doorheen het boek loopt maar die is tezelfdertijd zo dun en breekbaar dat het er maar al te vaak op lijkt dat het er nog snel bijgegooid is om toch een idee van samenhang te creëren. De aparte kijk op de dingen, eigen aan Dekkers, blijft hier in een kladversie liggen waarna met wat knip- en plakwerk aan de slag gegaan is om toch een substantieel boek te vormen. Er valt nog steeds wat af te grijnzen en glunderen met Rood. Een bekoring maar de doodse momenten die er tussen zitten, vallen te hard op om genegeerd te worden.

Badinerend is het woord dat Midas Dekkers op het lijf geschreven is. Of het nu om bestialiteit, kinderen, vergankelijkheid of lichamelijke beweging ging, steevast had de Nederlandse bioloog met de glimlach op de lippen, een monkelend antwoord klaar. Dat hij nu met zijn ode aan rood en roodharigen diezelfde kritische blik verliest, is doodjammer. In Rood. Een bekoring zijn nog echo’s van de oude Dekkers op te vangen, maar zijn scherpe pen heeft hij dit keer thuis gelaten. Van de ene liefhebber tot de andere: hier kan alleen maar besloten worden dat roodharigen beter verdienen.

E-mailadres Afdrukken