Banner

Koen Vergeer

Mahler, wat de muziek mij vertelt

Andreas Delanoye - 24 juni 2011

Met Mahler, wat de muziek mij vertelt komt er op de dubbele verjaardag van de grote componist een nieuwe inleiding op diens tien symfonieën. Koen Vergeer schreef vanuit een sterk autobiografisch standpunt en zonder muzikaal-professionele achtergrond, wat tot een mager resultaat leidt.

Nu Gustav Mahler (1860-1911) uitgebreid gevierd wordt omwille van zijn 150e verjaardag en 100e sterfdag, behoeft deze geniale figuur slechts een beknopte inleiding. Als dirigent en componist was hij een spilfiguur van het fin de siècle. Hij was niet alleen een belangrijk hervormer van de operatraditie, als componist vormde hij ook een synthese tussen de school van Brahms en Wagner. In zijn symfonieën schiep hij een revolutionaire klankwereld die bepalend is geweest voor de muziek van de twintigste eeuw.

Koen Vergeer, die boeken schrijft over uiteenlopende onderwerpen van voetbal en formule 1 tot poëzie, verklaart al sinds zijn studententijd vergroeid te zijn met de muziek van Mahler. Nu hij er ook zijn kinderen in aanraking mee wou brengen, besloot hij voor elke symfonie een inleiding te schrijven en dit vanuit een heel persoonlijk standpunt. Hij noemt zijn teksten zelf “hoorcolleges”, waarschijnlijk meer omwille van de woordspeling dan vanwege de academische connotatie, want de enige rake woorden in zijn boek zijn citaten. Vergeers “leuke stukjes scherpslijperij van het verstand” beperken zich tot een minimum en de drempel wordt heel laag gehouden.

Vergeer is geen musicoloog en denkt daarom een “verfrissend” onprofessionele kijk op Mahlers muziek te kunnen geven. Je voelt bij het lezen inderdaad dat hij geluisterd heeft met het oor van een amateur, zonder enige notie van vorm of harmonie. Zijn uitvoerige beschrijvingen van hoe hij de muziek vindt klinken, zijn platvloers en raken nooit essenties. Door hieraan autobiografische gegevens toe te voegen, dreigt het boek voor wie op zoek is naar de geest van Mahler een al te persoonlijk relaas te worden. Daarenboven voeren sentimentaliteit (de kat met kanker!) en pathetiek (er vloeien tranen) hierbij hoog tij. Je voelt duidelijk dat een reporter aan het werk is die een vlotte tekst kan schrijven, zonder het medium ooit naar een hoger niveau te tillen. Dat zorgt er mee voor dat wat ontroerend zou kunnen zijn aan Vergeers verhaal niet kan beklijven.

Wie op zoek is naar biografische details en de ontstaansgeschiedenis van de muziek, komt weinig aan zijn trekken. Voor deze stukken wordt weliswaar dankbaar verwezen naar Vestdijk en andere interessante bronnen. Beter geschikt voor dit doel zijn het uitstekende Nederlandse boekje Gustav Mahler, een leven in tien symfonieën van Eveline Nikkels of de vertaling van Stuart Feders Gustav Mahler, een leven in crisis.

Er spreken zeker een groot enthousiasme en liefde uit Vergeers relaas, maar zijn luisterervaringen zijn zo weinigzeggend dat een boek niet nodig was geweest. “Laat nooit je luisteren beperken door zij die beweren ergens verstand van te hebben”, klinkt het relativerend, maar beogen boeken over muziek niet net het geven van inzicht dat een beluistering intensiveert? “Schrijven over muziek is een heikele zaak”, waarschuwt Koen Vergeer zichzelf in zijn slotwoord. Hij had dit beter ter harte genomen.

E-mailadres Afdrukken