Banner

Leonard Nolens

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen

Frida Dewitte - 29 april 2011

Leonard Nolens was de voorbije weken goed vertegenwoordigd in de grotere media. Hij gaf een fel besproken (traag) interview op Radio 1, tekende voor een timide performance op de vijfde Nacht van de Poëzie, werd geëerd voor zijn nieuwe dichtbundel en kreeg vorige week een ode van enkele collega’s voorgeschoteld in de literaire bijdrage van De Standaard. Lof genoeg voor Vlaanderens grootste dichter? Amper, want te veel lof kan men iemand als Nolens moeilijk schenken.

{image}Het nieuwe millennium had voor Nolens, naast acht dichtbundels, eindelijk extra publieke erkenning in petto. Zijn verzameld werk verscheen in 2004 onder de titel Laat alle deuren op een kier, goed voor bijna 900 bladzijden poëzie en tegen een heel betaalbare prijs uitgegeven bij Querido. Vijf jaar later kwam diezelfde uitgeverij met een bundeling van zijn dagboeken op de proppen, in wat meer dan duizend bladzijden bittere, soms haast ondraaglijke ernst en worsteling met het kunstenaarschap zijn. Nolens had reeds voor het verschijnen van Dagboek van een dichter een inkijk gegeven in eigen boezem, met uitgaves uit de jaren ’80 en ’90 als Blijvend vertrek, De vrek van Missenburg en Een lastig portret. Toch werd het grote publiek pas gewaar hoeveel "offers" Nolens moet brengen om zijn oeuvre geschreven te krijgen toen zijn dagboeken op lovende kritieken onthaald werden – Nolens doet er alles aan zijn innerlijk te rijmen met zijn poëzie, wat doorgedreven ascese vraagt en zelfs vereenzaming binnen het huwelijk. Weinigen raakten doorheen het hele boek, vanwege "te pessimistisch" of "te koel". Nochtans lopen er weinig gevoelige zielen rond die aan Nolens’ menselijke warmte kunnen tippen. Niet alleen zijn hele serie liefdesgedichten uit het verleden (eind jaren ’90 gebundeld bij Querido) getuigt daarvan, maar ook degene die in zijn jongste bundel werden opgenomen.

Gemiddeld trakteert Leonard Nolens zijn lezers om de twee jaar op een nieuwe bundel. Woestijnkunde, Nolens’ vorige, dateert van 2008 en inderdaad legde Nolens al eind 2010 de laatste hand aan Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen. Alweer trekt zijn liefdespoëzie niet de kaart van het melancholische prototype waar amoureuze pubers gaarne uit citeren (zoals men bijvoorbeeld graag de vroege Rilke bij de haren sleurt), omdat in zijn liefdesgedichten vaak het onvermogen sluimert die liefde als dusdanig te uiten. De gedichten over zijn vrouw zijn daarom vaak tragisch, alsof het gedicht een pleister is op de wonde van een lastig huwelijk waarin de partners te weinig tot elkaar konden doordringen. Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen bevat echter veel meer dan alleen deze indruk. Nolens deelde de bundel op in een aantal grotere delen en in het eerste stelt Nolens het schijnbare solipsisme van zijn levensstijl in vraag. De eerste regels (uit het openingsgedicht Spartaans) zijn dan ook niet toevallig "Sluit de ramen. / Vergrendel de voordeur. / Verbrand de krant." In De krantencommentaren lijkt Nolens op hetzelfde pad verder te gaan ("Bid ’s ochtends niet met open armen de krant."), maar even later breekt hij de teneur door er "O dat solipsisme van een lyricus in proza!" aan toe te voegen. Deel een, getiteld Kolos is er, uiteraard in de ruimere zin van het woord, een van tegenstellingen. Meteen introduceert Nolens zijn ingewikkelde spel met de termen ik, jij en ons, die doorheen de bundel een onontwarbaar kluwen vormen met beklemmende gedaanteverwisselingen als gevolg.

Dat Nolens zijn gedichten niet lukraak rangschikt mag een understatement heten. Het eenvoudig gestileerde Debuut wordt voorafgegaan door het ijzingwekkende titelgedicht Kolos (in vier delen), waarna Nolens intensiveert met pareltjes als Burgerfatsoen, Pianoles en Anonieme brieven. Het volgende grote deel van de bundel, met name het twaalfdelige titelgedicht, toont een extreem gecondenseerde schrijver die met korte, krachtige stoten enkele mokerslagen uitdeelt. Ook hier is de opbouw naadloos, van het genadeloze eerste deel tot het duizelingwekkende laatste. In Blind date laat Nolens af en toe weer wat ademruimte. Dat poëzie niet altijd veel woorden nodig heeft, blijkt uit het krachtige zevende segment van het titelgedicht. In een zin legt Nolens zijn ziel bloot: "Is liefde de vorm die men levenslang geeft aan ons afscheid - het ontbreken van een leesteken spreekt hier boekdelen. Schrijfles brengt even later de mijmering Pianoles weer in gedachten, maar is ruwer geformuleerd, als een stekelige bolster met een (even) weke kern.

Jaloers is tevens een gedicht om meteen meerdere malen gulzig te lezen, zo zoet de toon en zo juist de constructie. Ook het grotere deel Hulde bevat enkele prachtige, tedere gedichten, naast alweer vinniger taalgebruik, zoals in Dissident (voor Luc Tuymans). Devies, het minutieus gecomponeerde slotdeel, geldt als krachtige afsluiter van wat een briljante bundel is, in een indringende, maar tegelijk rustige taal waar de lezer helemaal in kan verdwijnen. Of om u, lezer, via een essentie van Nolens zelf, te overtuigen deze bundel aan te schaffen:

Oogopslag

Toen jij me vroeg waarom ik van je hou / Heb ik het antwoord veertig jaar verzwegen. / Veertig jaar ben ik bij jou gebleven / Om geen antwoord op je vraag te geven. / Het staat in kringen om ons heen geweven / Neergeschreven. Vrienden en vreemden weten / Wat ik veertig jaar niet heb begrepen, / Wat ik veertig jaar probeer te lezen / In een oogopslag en zijn vragende blauw.

E-mailadres Afdrukken