Banner

Simon Critchley

Over mijn lijk

John Cossement - 06 april 2011

Ars moriendi of de kunst van het sterven: in Over mijn lijk (oorspronkelijke titel: The Book Of Dead Philosophers) laat de Brit Simon Critchley zien hoe maar liefst 190 erudiete koppen dat voor u hebben gedaan. Hij wil ons leren dat het grootste kunstwerk van een filosoof vaak schuilt in zijn manier van overlijden.

"Filosoferen is leren sterven", merkten Cicero en later Montaigne al op en vanuit die premisse is het boek Over mijn lijk geschreven. De mens kan het nog steeds moeilijk verkroppen: eens zal hij voor definitief verscheiden en die gedachte boezemt hem vaak onmetelijke angst in. Volgens de Engelse filosoof Simon Critchley gaan we die angst op tweeë manieren te lijf: we negeren het onvermijdelijke einde en gaan ons onbesuisd te buiten aan beuzelachtige en kortstondige aardse geneugten, daarbij vertrouwend op de metafysica van geld en medische wetenschap, of we hangen in een vlaag van zelfbedrog een van de pot gerukt geloof in een of ander hiernamaals aan.

De wijsgeren zelf dan: sommigen werden gelyncht, geëxecuteerd of stierven een vreselijke marteldood, anderen werden levend begraven of vergast in een concentratiekamp, nog anderen stierven in eenzaamheid of bodemloze armoede, pleegden zelfmoord, kwamen om in een verkeersongeval of vielen ten prooi aan indigestie of ziektes als kanker en aids. Eentje (Moritz Schlick) werd domweg vermoord omdat hij de doctoraalscriptie van een zonderlinge student had afgekeurd, een ander (misantroop Heraclitus) stikte in koeienmest. Daarnaast wordt het verslag van hun manier van overlijden vaak aangelengd met apocriefe of onmogelijk te checken verhalen, maffe laatste woorden (Lacan: "Ik houd vol … ik sterf." of Heine: "God zal me vergeven, ’t is zijn vak.") en vermakelijke weetjes of anekdotes (over hoe bijv. de toen 77-jarige Britse filosoof Alfred Jules Ayer het model Naomi Campbell redde uit de begerige klauwen van een Mike Tyson boordevol testosteron).

Critchley heeft ook zijn favorieten die hij dan iets uitvoeriger bespreekt: groots is nog steeds het relaas over utilitarist Bentham (wiens opgezette lichaam tot op heden in een vleugel van het hoofdgebouw van het University College te London te bewonderen valt), hij noemt Pico della Mirandola ’briljant’ en verder schrijft hij met onverholen eerbied over kleppers als Epicurus, de klassieke Chinese denker Zhuangzi, Boëthius, Spinoza, Montaigne, Locke of Derrida. Tevens wordt nog eens opgedist waarom verlichtingsfilosoof Hume een held is: de man hield, belaagd door moeizuchtige christenen, vast aan zijn atheïsme en reageerde uiterst kalm, opgewekt en zonder angst toen hij aan een ongeneeslijke ziekte leed. Critchley ziet ook enkele vrouwelijke of islamitische filosofen en denkers die tussen de plooien van de geschiedenis zijn gesukkeld niet over het hoofd: zo wijdt de auteur drie bladzijden aan de onbekende achttiende-eeuwse Italiaan Radicati, die hij koestert om zijn leer over het recht op zelfdoding, indertijd een christelijk taboe. Een neutraal observator is Critchley dus allerminst: zo vindt hij de opvattingen van Heidegger over de dood zelfs moreel verwerpelijk.

Bij ettelijke denkers worden de belangrijkste leerstellingen aangehaald, dit soms (iets te) summier en zonder al te veel diepgang, maar u kan Over mijn lijk toch als een uiterst leesbaar naslagwerkje gebruiken. Vele filosofen borduren uiteraard verder op de inzichten en theorieën van hun voorgangers maar ook tegengestelde meningen komen aan bod: La Rochefoucauld vond sterven toch maar "een vreselijk iets’" en Rosenzweig beweert dat de filosofie van Thales en Hegel voorbijgaat aan de dood en "de oren dichthoudt voor de angstschreeuw van de mens." Volledigheid valt daarbij moeilijk na te streven maar het is jammer dat bijvoorbeeld een ultrapessimist als Emil Cioran, die zijn leven lang ook heel boeiend over het lijden en de dood heeft geschreven, geen vermelding krijgt.

Soms neemt Critchley de lezer heel kort mee op sleeptouw doorheen de geschiedenis van de filosofie en legt hij de link met onze tijd: zo leven we opnieuw in een tijdperk waarin sofisme, obscurantisme, esoterie en een verlangen naar zekerheid welig tieren en stelt hij levenskunst, radicale twijfel en liefde voor wijsheid in de plaats. Enkele diepe gedachten kunt u wellicht eens op een condoleancekaartje schrijven en het bijwijlen luchtige boek kan een opstapje zijn naar verdere verdieping in een wijsgerige richting of in het leven en werk van een bepaald denker. Omgaan met de dood kan ook omgaan met allerhande ander verlies (liefdesverdriet bijv.) betekenen.

Een grenzeloze liefde voor de wijsbegeerte ruik je in elke bladzijde en de ironische stijl van Simon Critchley doet soms denken aan de populaire filosofieboeken van Luciano de Crescenzo. Over mijn lijk heeft dezelfde opzet als het fijne boek Gedenk te sterven van Pieter Hoexum, die echter iets dieper op de materie kon ingaan omdat hij zich in zijn werk tot een twintigtal wijzen beperkte.

Nuchterheid is geboden volgens Critchley en in het aanvaarden van onze beperkingen en afhankelijkheid zit een voedingsbodem voor moed en uithoudingsvermogen. "Mensen die beven in het aanzicht van de dood zijn net kinderen die bang zijn voor geesten en spoken. Magere Hein boezemt mij geen angst in; hij kan bij mij altijd aankloppen. Een filosoof toont zijn onverschrokkenheid juist op het moment dat dappere mensen hard weglopen", opperde ooit de materialistische filosoof La Mettrie. "Leren sterven is leren leven" en "wie geleerd heeft om te sterven, heeft afgeleerd om slaaf te zijn", zo luidt de aanbeveling van de briljante denker Montaigne. Doe er alvast uw voordeel mee.

E-mailadres Afdrukken