Banner

Luigi Pirandello

Iemand, niemand en honderdduizend

Andreas Delanoye - 11 maart 2011

Luigi Pirandello is vooral bekend omwille van zijn kortverhalen en theaterwerken. In het begin van de twintigste eeuw ontpopte hij zich als een grote vernieuwer van de Europese literatuur, zowel op stilistisch als inhoudelijk vlak. Met zijn laatste roman Iemand, niemand en honderdduizend schreef hij een tragikomisch en essayistisch boek over de menselijke identiteit.

In 1934, twee jaar voor zijn dood, kreeg de Siciliaan Luigi Pirandello de Nobelprijs voor literatuur, omwille van zijn krachtige en briljante renovatie op dramatisch gebied. Vaak wordt hij met zijn tragikomische farcen gezien als de voorloper van het absurde theater. Indicatief in dit opzicht is het bekende satirische toneelstuk Zes personages op zoek naar een auteur. Ook het probleem van het individueel bewustzijn en de menselijke identiteit in relatie tot de maatschappelijke geplogenheden komt vaak terug en is bijvoorbeeld mooi uitgewerkt in de roman Wijlen Mattia Pascal.

Iemand, niemand en honderdduizend kende een lange ontstaansgeschiedenis. Pirandello begon er al in 1909 aan te schrijven en het werk werd pas gepubliceerd in 1925. Op die manier overspande het schrijfproces de meest productieve periode van Pirandello’s leven. In de vijftien jaar waarin hij aan het boek werkte, moet er een rijke kruisbestuiving van het basisthema met ander werk geweest zijn. Zelf hechte de schrijver groot belang aan zijn laatste novelle, misschien omdat je ze kan lezen als een resumerende epiloog bij zijn volledige dramatische oeuvre.

Vitangelo Moscarda is de held van het boek die door de onschuldige opmerking van zijn vrouw Dida dat zijn neus scheef zou staan in een identiteitscrisis terecht komt. Als hij niet diegene is die hij dacht te zijn, wie is hij dan wel? Er volgen experimenten met een spiegel waarin Moscarda zichzelf wil zien leven, maar dit mislukt. Herbergt hij dan zoveel iemanden in zichzelf als er andere mensen zijn die hem percipiëren? Zijn alle werkelijkheden, niet alleen die van onszelf, dan geconstrueerd en subjectief? En valt ook de taal als communicatiemiddel onder de geconstrueerde werkelijkheid, zodat we in feite altijd naast elkaar spreken? Om achter zijn ware “ik” te komen, breekt Vitangelo Moscarda zijn oude ik radicaal af, tot er “niemand” overblijft. De totale eenzaamheid is het gevolg, versterkt door het besef dat de taal een insufficiënt middel is om de kloof tussen mensen te dichten. Fascinerend is ook de manier waarop dit in de roman culmineert en een positief geladen invulling krijgt op het einde.

In de structuur van het boek is een grote zin voor synthese en het wegwerken van ballast voelbaar. Soms krijg je zelfs de indruk dat er te lang aan gesleuteld is, waardoor er te weinig roman en teveel essay overblijft. Moscarda is een dusdanig lucide personage, dat zijn gedachteproces eigenlijk een filosofische beschouwing is. Stilistisch doet het boek heel modern aan, met het gebruik van opsommingen, korte hoofdstukken en heel expressieve taalwendingen. Van de twee Nederlandse vertalingen die voor handen zijn, is diegene die uitgeverij Atlas nu heruitbracht trouwens de beste. Het is die van Annegret Böttner en Leontine Bijman. De vertaling door Sophie Brinkman leest toch wat stroever.

Door zijn soms expliciete thematische uitwerking is Iemand, niemand en honderdduizend eerder een boek voor lezers die meer willen dan een goed verhaal en bereid zijn wat door te bijten en te herlezen. De vraag naar hoe we authentiek kunnen zijn als mens, vrij van gewoonten en gedrag die bepaald worden door afkomst en conventies is sowieso intrigerend. Wie zich in dit boek wil verdiepen en actief verder denken, zal innerlijk zeker beloond worden.

E-mailadres Afdrukken