Banner

Wouter Deprez & Randall Casaer

Gelukkig heeft je moeder twee oren

Frida Dewitte - 02 februari 2011

Tijdens Wouter Deprez’ nieuwste zaalvoorstelling Je zal alles worden is het per kwartier een paar keer stevig slikken. De cabaretier haalt immers stevig uit naar "de gewone werkmens", terwijl een groot aantal van zijn fans zich nog steeds in die hoek bevindt. Ook om een tweede reden was de nieuwe Deprez een grote verrassing: de in Menen geboren Gentenaar nam immers op geregelde tijdstippen zijn kinderboek Waarom je moeder en ik bijna altijd een kamerjas dragen ter hand, waarin hij brieven schrijft aan zijn zoon Joshua over hoe hij het vaderschap ervaart.

Binnen Je zal alles worden vond Deprez een schitterend evenwicht tussen emotionele brieven, stand-up comedy en publieksparticipatie. Het contrast is groot, maar de cabaretier weet de acts telkens goed te linken en brengt, door de afwisseling van subtielere (de brieven) en eerder provocerende (zijn uitlatingen over de mensen in de zaal) humor, een enorme vaart in het geheel. Vooral jonge gezinnen begaven zich na het zien van de voorstelling richting Deprez om een exemplaar van zijn brievenboek aan te schaffen. Waarom je moeder en ik bijna altijd een kamerjas dragen mag dan ook gelden als een ijzersterk literair debuut en biedt voor kersverse papa’s en mama’s het ideale vertier. De grappen zijn teder, pretentieloos en oprecht: men voelt dat Deprez een gelukkige vader is, wanneer hij schrijft dat zijn zoon meer zal worden dan die van een ander. Intussen is Joshua echter alweer een jaartje ouder en de fans van het eerste uur worden verwend met een nieuw boek, waarvan de protagonist meegegroeid is met de eigen zoon of dochter.

Gelukkig heeft je moeder twee oren teert echter niet uitsluitend op de herkenbaarheidsfactor, hoewel het zeker een meerwaarde is als jonge ouders met precies dezelfde vragen en gebeurtenissen geconfronteerd worden als Deprez. De auteur heeft echter genoeg scherpte in zich om het gemiddelde babyboek te overstijgen. De manier waarop hij bijvoorbeeld de typische pipi- en kakafase van de peuters aanpakt, doet schaterlachen. Verder lokken de bijdrages vooral een glimlach uit, zoals het de humor van een fijn komiek betaamt. De korte brieven of beschouwingen zijn bovendien altijd scherp in hun ontleding van het gedrag van kleine kinderen: Deprez ziet niet meer dan de modale moeder of vader, maar hij staat stil bij peuterhandelingen en lijkt ze in vraag te stellen. Dat levert telkens weer een intelligente, minzame brief op, al dan niet met een geestige kwinkslag op het eind. Toch kan de lezer zich niet ontdoen van het gevoel dat Deprez een echte sequel heeft gemaakt die de succesformule van het origineel nog eens wil overdoen. Ofwel is er al meteen een soort gewenning opgetreden, ofwel waren de ontboezemingen uit Waarom je moeder en ik bijna altijd een kamerjas dragen net iets scherper en interessanter.

Deze uitgave geniet echter visueel de voorkeur. Hoewel de illustraties van Frow Steeman uit het eerste deel al tot de verbeelding spraken, zijn de tekeningen van Randall Casaer in deze editie perfect uitgekiend en schitterend om zien. Ook zij ademen immers een ongecompliceerde humor en met hun karakteristieke stijl vormen ze eigenlijk een verhaal op zich, dat de verschillende brieven prachtig begeleidt. Casaer is dan ook niet van de minste: hij won al enkele belangrijke prijzen en onder meer De Standaard was lyrisch over zijn stripdebuut. Casaer wil als illustrator echter niet alle aandacht naar zich toe trekken, maar staat in een evenwaardige verhouding tegenover de teksten van Deprez. Uitgeverij Eenhoorn zorgde bovendien voor een mooie typografie en dito bladspiegel, zodat Gelukkig heeft je moeder twee oren in al zijn facetten als een klein kunstwerkje oogt.

Alles bij elkaar is deze nieuwe bundel dus gewaagd aan zijn voorganger. Het mag dan ook geen toeval heten dat het boek in een mum van tijd toe was aan een herdruk. Wie de formule niet kent, wacht kortom een plezierige ontdekking, al dan niet in het bijzijn van de benieuwde (klein)kinderen. Bij weekblad Humo noemde men het "poëzie op peutermaat" en dat is misschien nog de best mogelijke omschrijving. Hoewel het grootste plezier zonder de minste twijfel voorbehouden blijft aan de lezende volwassenen.

E-mailadres Afdrukken