Banner

Joost Vandecasteele

Opnieuw en opnieuw en opnieuw

Jurgen Boel - 03 januari 2011

Wie zich aan het schrijven van een dystopie wil wagen, begeeft zich op glad ijs. De wereld van de literatuur telt immers enkele werken binnen het genre die zonder meer als klassiekers beschouwd worden, met het oude maar nog steeds relevante 1984 als ultieme voorbeeld. In het eigen taalgebied hebben weinig tot geen schrijvers zich hier dan ook aan gewaagd, met Paul Mennes als mogelijke uitzondering.

Mennes hield zich in zijn werken echter ver van politieke maatschappijkritiek en beperkte zich tot voorzichtige speldenprikken naar de jongerencultuur, consumptiemaatschappij en uitgeholde levens. Een postmoderne, ironische stijl primeerde op het verhaal en maakt zijn werken zoveel jaar na publicatie niet langer relevant. Het is een reëel gevaar voor elke auteur die er niet in slaagt zijn bon mots, ironiserende maatschappijkritiek en cynische terloopsheden ondergeschikt te maken aan een sterk, universeel verhaal . Het is ook de val waar Joost Vandecasteele met Opnieuw en opnieuw en opnieuw in trapt.

Nochtans debuteerde Vandecasteele vorig jaar sterk met het veelbelovende Hoe de wereld perfect functioneert zonder mij waarin hij zich in verschillende kortverhalen meesterlijk van de taal bediende, om een in een niet zo verre toekomst gelegen maatschappij tot leven te brengen die vooral uitmuntte in troosteloosheid en hol consumentisme. De geschetste maatschappij stond — ook los van de taalkundige spitsvondigheden "kijk mama zonder handen" — te kijk als een oord van verderf en wanhoop, waardoor het gevoel ontstond dat Vandecasteele zich ook in een langere roman zou weten te bewijzen.

Opnieuw en opnieuw en opnieuw kan die belofte echter niet waarmaken, en verzandt in te veel goede ideeën, herkauwde plotontwikkelingen en nutteloze terzijdes die Vandecasteele ver van de essentie brengen. Wie het onkruid wiedt en zich op het naakte verhaal richt, merkt hoe mager dit verhaal is en hoe weinig Vandecasteele er mee gedaan heeft. Nochtans is de centrale plot beloftevol, zij het eerder clichématig en biedt de verhouding tussen Alex, een vertegenwoordiger van het repressieve systeem(Neo-Sparta) en Penny, haar grootste aanklager, voldoende mogelijkheden, zelfs voor onervaren jonge schrijvers.

In de eerste helft van het boek, wanneer het louter om "superflik" Alex en rebellenleidster/hoer Penny draait, weet Vandecasteele er ook effectief de spanning in te houden, maar eens hij verder in de tijd reist, loopt het fout. Niet dat het tweede deel rond een verweesde en obsessieve Alex geen intrigerende momenten bevat, maar het mag duidelijk zijn dat Vandecasteele steeds meer zijn grip op het centrale verhaal verliest en zich op nevenplots begint te verlaten. Wanneer alles finaal samenkomt in een laatste stuk, lijkt het er niet eens meer te doen. Zelfs de epiloog staat de facto los van het verhaal, alsof Vandecasteele er toch nog een extra einde aan wou breien, om enkele losse draden te verbinden.

Opnieuw en opnieuw en opnieuw mist de eenheid die bij een roman hoort, het blijft te veel hangen in losse flarden goede ideeën die met haken en ogen aan elkaar hangen. Er schuilen een aantal beloftevolle kortverhalen in de roman maar als een verbindend verhaal schiet het boek te kort. Vandecasteele kan schrijven en weet een maatschappij te schetsen die ver genoeg van de lezer af staat om futuristisch te zijn en tezelfdertijd zo dichtbij te brengen dat het haast realistisch wordt. Het enige waar het hem voorlopig aan ontbreekt, is een goed verhaal. Een dat ook op zichzelf kan bestaan.

E-mailadres Afdrukken