Banner

Siri Hustvedt

Een geschiedenis van mijn zenuwen

Hildegart Maertens - 17 december 2010

In tegenstelling tot wat haar naam doet vermoeden, is Siri Hustvedt tegenwoordig woonachtig in Amerika. Dankzij haar Noorse afkomst heeft ze echter nog steeds een zekere affiniteit met de Europese literatuur, wat het thema van deze roman eigenlijk ook verraadt. Een geschiedenis van mijn zenuwen is een autobiografisch relaas over een fenomeen dat de auteur mateloos boeide sedert het haar zelf overviel tijdens een herdenkingsplechtigheid voor haar vader in 2006. Het gaat om een vreemde tremor, door Hustvedt krachtig verbeeldt als “de schuddende vrouw”. De titel geeft al weg dat het boek niet de meest eenvoudige keuzes maakt en Hustvedt trekt de roman thematisch ver open. Zo bevat Een geschiedenis van mijn zenuwen de nodige uitwijdingen over hysterie, neurologie en psychoanalyse, maar ook de literatuur of filosofie zelf.

Siri Hustvedt kampt sinds haar jeugd met aanvallen van migraine. Ze raakte er na haar adolescentie dusdanig door geïntrigeerd, dat ze een onderzoek instelde naar de precieze oorzaak ervan. Ze bezocht wetenschappelijke congressen en ging op consultatie bij neurologen, maar een afdoende verklaring liet lang op zich wachten. In deze roman gaat ze het hele proces terug af en alle hypothesen worden keurig afgewogen. Hoe langer en hoe vaker ze in ziekenhuizen vertoefde, hoe meer ze geprikkeld werd door de medische wereld. Uiteindelijk belandde ze in de psychiatrie, waar ze schrijfcursussen doceerde aan de patiënten die vrijwillig intekenden. Aan de hand van het vaste zinnetje “Ik herinner mij…” liet ze hen associatief redeneren over hun heden en hun verleden. Moedig is dat de auteur vanuit haar eigen ervaringen en leefwereld – die van de literatuur – haar onderzoek instelt. Het geheugen speelt duidelijk een grote rol, waar Hustvedt opnieuw bespiegelingen aan vastklampt over hoe een mens zich dingen herinnert en hoe een mens vergeet.

Ondertussen blijft Hustvedt de trillingen gewaar worden wanneer ze in het openbaar moet spreken, maar ze neemt medicatie zodat het publiek niets ziet. Nochtans stelt de auteur dat, in een tijd van farmacotherapie als massaproduct, de psychoanalyse (à la Freud) sterk aan belang heeft ingeboet, misschien ten onrechte. Psychiatrie en psychoanalyse groeien steeds verder uit elkaar, zo stelt Hustvedt. Waar de psychoanalyse meer en meer wordt overgelaten aan een sociaal assistent, wordt in de psychiatrie minder gesprekken gevoerd, maar meer medicatie voorgeschreven. De vraag is: wat moeten we met een dergelijke evolutie?

Het is vooral de hysterie (ook “conversiestoornis” genoemd) die haar interesse in het onderwerp heeft aangewakkerd. De auteur vraagt zich aanvankelijk af of ze iets verdrongen heeft dat als een hysterie naar buiten kwam. Die denkpiste is echter niet bijzonder interessant en Hustvedt blijft maar pseudo-wetenschappelijke theorieën aanvoeren. De auteur springt bovendien van de hak op de tak en komt zelden met een goed gefundeerde stelling op de proppen. Anderzijds is Hustvedt best intrigerend en kan de andere invalshoek geen kwaad, zeker niet eenmaal ze de lijn doortrekt van psychiatrie naar filosofie en literatuur.

Dit pseudowetenschappelijk boek geeft kortom een overzicht van de zoektocht van Hustvedt naar de oorzaak en het gevolg van haar tremor. Hoewel ze verschillende studies aanhaalt en goed gedocumenteerd is, is dit geen wetenschap. Er is te weinig structuur en na een tijdje valt het boek als een kaartenhuisje in elkaar. Hustvedt schrijft overigens niet zo meeslepend als bijvoorbeeld Oliver Sacks, een Brits neuroloog naar wie de auteur enkele keren verwijst, maar aan wiens spontaniteit, eruditie en heldere medische visie ze nergens kan tippen. Verdienstelijk bij momenten, maar bijlange na niet altijd interessant.

E-mailadres Afdrukken