Banner

Erwin Mortier

Een ontsnappingskunstenaar

Hildegart Maertens - 26 november 2010

Driewerf hoera, want de tweede drieling is er! Uitgeverij Voetnoot heeft immers in navolging van de Perlouses (Franse) en de Moldavieten (Tsjechische literatuur) ook een Belgica-reeks met korte verhalen en essays van Vlaamse en Franstalige Belgische auteurs op de markt gebracht. De bedoeling is zowel de aandacht te vestigen op bekende hedendaagse auteurs, als op oudere, gevestigde waarden die onterecht uit de schijnwerpers zijn verdwenen. Dit is het eerste deel van de drie nieuwe korte boekjes, met deze keer een focus op Franstalige Vlaamse auteurs.

Dirk Leyman, de initiatiefnemer van dit concept, is met recht en reden trots op zijn reeks. Het is immers niet evident om kleine boekjes en kortverhalen op de markt te brengen en die voldoende aandacht te geven in de pers of onder de consumenten. Het kortverhaal is een genre in de marge van de lijvige roman en tot op heden heeft de vorm nog steeds enkele opmerkelijke tegenstanders. Nochtans is het interessant om te zien wie het keurslijf kan hanteren en wie niet. Lang niet elke schrijver, dood of levend, is er immers in geslaagd waardevolle kortverhalen achter te laten. Als de muzikale symfonie de roman is, dan heeft het symfonisch gedicht nog het meest van een kortverhaal. Maar hoeveel componisten lieten interessante symfonische gedichten na waarin ze kernachtig zeggen wat hun collega’s het driedubbele in tijd kostte?

De Belgische auteur Erwin Mortier is vooral gekend van zijn boek Godenslaap, een briljante sfeerschets boordevol oer-Vlaamse melancholie. Dat hij ook als essayist, biograaf of gewoon auteur van kortverhalen uitblinkt, komt zeker als een verrassing. De man schetst in dit kleinood het leven van Franz Hellens (pseudoniem van Frederic van Ermengem, zoon van een eminent bacterioloog in zijn tijd), een Franstalige Gentenaar, opgegroeid in de bourgeoisie. Toen hij overleed in 1972 liet hij een groot (en volgens Mortier geniaal) oeuvre na, maar hij bleef vreemd genoeg totaal onbekend. De jongere generatie van vandaag de dag heeft zelfs absoluut geen affiniteit meer met hem; zelfs op verplichte literatuurlijsten op universiteiten en humaniora’s is zijn naam gewoon verdwenen. Een Wikipedia-pagina heeft de man nog net, maar die bevat zodanig weinig informatie dat het — of dat zou Mortier allicht zeggen — een aanfluiting mag heten van diens talent.

Hellens vond zichzelf door en door Vlaams en Gent was een onuitputtelijke bron van inspiratie voor zijn romans. Hij kon André Gide, Paul Valery, Maxim Gorki, Andre Malraux en Modigliani tot zijn vrienden rekenen, of dat beweert Mortier althans in zijn extatische biografie. Het is bovendien hoopgevend dat een Vlaams, vooraanstaand intellectueel als Mortier, in een tijd van communautair wantrouwen, gewoon uitkomt voor zijn grote ontzag en bewondering voor een Franstalige Vlaming. Mortier is zich daarvan bewust en benadrukt dan ook de waarde van deze ongewone invalshoek. Dat Hellens Frans sprak, was immers meer cultureel en opvoedkundig gedetermineerd dan dat het een kwalijke keuze zou zijn geweest.

Uitzonderlijk is overigens dat aan de vloeiende en prachtig beschreven biografie een kortverhaal van Franz Hellens zelf wordt gekoppeld, getiteld Tussen de straat en de tuin, vertaald door niemand minder dan Leonard Nolens. Daarin verhaalt Hellens zijn jeugd in de privéklas met zijn broer en zus, in combinatie met alle invloeden die ze van buitenaf krijgen en die hun jeugd mee vorm geven. Ook de keuze van dit kortverhaal is uitzonderlijk goed en het wakkert de nieuwsgierigheid naar Hellens alleen maar aan. Daarmee slaagt deze vierde Belgica dus uitzonderlijk goed in zijn opzet, en is De ontsnappingskunstenaar de best denkbare inleiding tot een buitengewoon interessant schrijver.

E-mailadres Afdrukken