Banner

Geert Van Istendael

De zwarte steen

Peter Mangelschots - 22 december 2003

Wie de acherflap leest van De zwarte steen, Geert van Istendaels tweede roman, knippert met de ogen. Geen korte inhoud of situering, wel een waslijst aan karakteriseringen zoals "een burleske liefdesgeschiedenis, een démasqué van Europa, een oersoep, een blafhoest, een inventaris van verraad, een brandwonde, een anachoreet, …" Wat doe je met zo’n overdaad? Een poging tot synthese.

De roman speelt zich af in het jaar 2092 en schetst een dystopie van Europa. Het continent is in twee gebieden uiteengevallen, het richtlijngebied en de vrije economische zones. Het richtlijngebied omvat de welvarende regio’s die om economische redenen strikt gescheiden worden van de regio’s die niet mee kunnen. Zij worden Zonië of, erger nog, Onland genoemd. Tussen beide gebieden loopt de demarcatielijn die sterk doet denken aan de Berlijnse muur of recenter de muur tussen Israël en Palestina. In het aan zijn lot overgelaten Onland is er schrijnende armoede en heerst de wet van de sterkste.

Radiojournalist Nicolaas Hemers steekt de demarcatielijn over richting Zonië. Hij wil een reportage maken om te tonen hoe het leven aan de andere kant werkelijk is. Tegelijkertijd gaat hij op zoek naar zijn mysterieuze grootmoeder die vanwege een bizarre liefdesgeschiedenis jaren geleden het richtlijngebied ontvlucht is. Na een wekenlange tocht komt Nicolaas tijdens een storm terecht op de Welsteen, het verblijf van een ongrijpbare figuur die zich de Grote Commissaris laat noemen.

De storm heeft de elektriciteitsdraden afgebroken en de Welsteen afgesneden van de wereld. De voedselvoorraden in de diepvriezers beginnen te ontdooien en dus dient er gegeten te worden. De Grote Commissaris laat zijn twee groezelige dienstbodes copieuze maaltijden opdienen. Onder het genot van al dit lekkers laat Nicolaas geluidsfragmenten uit zijn reportage horen. Hij wordt hierdoor tegelijk onderzoeker en boodschapper, tegelijk Odysseus (Nicolaas’ ex-vriendin heet trouwens Penelope) en Hermes (een anagram van Hemers, zo wordt in de roman aangestipt).

Dergelijke verwijzingen zitten er wel meer in De zwarte steen. Op het einde van het boek heeft van Istendael een lijst opgenomen met schrijvers en werken waaraan hij schatplichtig bekent te zijn, van Borges tot Shakespeare, van Homeros tot Rabelais. Met deze laatste heeft hij zeker de hang naar het groteske gemeen, dat keer op keer opduikt. Dit maakt het boek ook heel vlot leesbaar. Bij momenten is het geschreven zoals de maaltijden die erin opgediend worden: rijkelijk en in steeds wisselend interieur. Van Istendael schakelt vlot tussen tekst, dialoog, tussenverhaal en radioreportage. Hij heeft soms een heel beeldende stijl, maar die wordt nooit saai, want steeds door andere stijlen afgewisseld.

Dan is er nog de titel. Nicolaas jat aan het begin van het verhaal een zwarte steen van zijn gehate hoofdredacteur. Ook de Grote Commissaris dist een jeugdherinnering op over een kostbare steen die hij gestolen heeft. Helemaal duidelijk wordt het allemaal niet en wanneer op het einde bepaalde lijnen samenkomen, zijn de gelegde knopen soms nogal vergezocht. Dat is mogelijk een van de weinige minpunten van de roman, maar kadert anderszijds ook weer in de burleske anekdotiek.

E-mailadres Afdrukken