Banner

Tom Lanoye

Mamma Medea

Matthieu Van Steenkiste - 01 november 2001

Nieuwe theaterteksten worden in Vlaanderen niet veel gespeeld, de klassieken daarentegen wel. Dit tot grote onvrede van de hedendaagse auteurs, dat hoeft geen betoog. Tom Lanoye vond op dit probleem uiteindelijk een erg bevredigende oplossing: maak een doorgedreven, eigen bewerking van een klassiek stuk en iedereen is tevreden. Net als Ten Oorlog enkele jaren geleden is Mamma Medea een schot in de roos.

De synopsis van het Medea-verhaal is meer dan eens verteld, de bewerkingen ervan zijn legio en erg divers. Van de klassieke vertalingen van Euripedes’ tragedie tot de versie van Dood Paard die bol staat van samples uit de hedendaagse rockteksten, het is het verhaal van een moeder die haar twee kinderen doodt uit wraak voor de ontrouw van haar man.

Er is echter ook een voorgeschiedenis, de Argonautica of de tocht die Jason en zijn companen met hun boot, de Argo, ondernamen op zoek naar het gulden vlies. Lanoye oordeelde dat stuk essentieel voor zijn verhaal over de vrouw uit het woeste Kolchis die zich plots staande moet houden in de Griekse beschaving. Hij maakte dit epos van Appolonios van Rhodos, dat zich afspeelt in Medea’s vaderland, de basis voor het eerste deel van zijn relaas. In het tweede deel begint Lanoyes bewerking van de eigenlijke Medea van Euripides.

Essentieel voor Lanoye was dat Medea een ontheemde vrouw is in een voor haar onbekende cultuur. Zonder open deuren in te trappen, raakt hij zo voorzichtig de migrantenproblematiek aan, subtiel verwoord in de titels van de twee delen: "thuis/in den vreemde" en "in den vreemde/thuis". Hij houdt zich echter ver van de val om het stuk een zwaardere politieke lading te geven, al trekt hij de botsing van de twee werelden ook door in de taal.

En in die taal schuilt net als bij Ten Oorlog het geniale van Lanoye. De slagerszoon met het brilletje weet immers als geen ander met taalregisters te spelen. In zijn Shakespearebewerking liet hij de verheven taal stuk na stuk desintegreren tot een mengeling van Nederlands en hiphop-Engels. Hier vertaalt hij de clash tussen de "barbaarse" Kolchiden en de beschaafde Grieken in een spel tussen gortdroog Hollands-Nederlands en een sappig Vlaams. Het levert prachtige scènes op waarin wederzijds onbegrip troef is. Medea verwijt Jason op een bepaald moment zijn liefde niet te tonen. Medea, in de verdediging: "Ik praat gelijk ik ben gebekt: ik bijt/en raak dat niet meer kwijt. Iets anders heb/ik nooit geleerd. Ik bas, ik blaf. Nog meer/ten overstaan van wie ik liefheb dan/ten overstaan van wie mij degouteert."

Eenmaal in Korinthe — waar deel twee begint — slaat het overwicht om en gaat het nuchtere Nederlands overheersen. Ook hier heerlijke staaltjes van Lanoyes kunst om met taal een personage te typeren. De monoloog van de werkster aan het begin van dat tweede deel hoor je zo met een Hollands accent gespeeld: "En hier blijkt dat er sleet zit op het huwelijk. Sleet? Er zijn vissen op het droge die langer vers gebleven zijn."

En zo voert Lanoye de lezer mee naar de onafwendbare afwikkeling van de plot. Reeds lang van tevoren kondigt Medea al tobbend haar wandaad aan, toch slaagt Lanoye er nog in de lezer te verbazen. Dat hij daarvoor het verhaal van Euripides lichtjes aanpast, is hem snel vergeven. Het einde van het stuk is bijtend intens met een laatste zin die alles zegt. Het doet een mens bedenken dat het een zegen zou zijn voor het Vlaamse theater als Lanoye meer teksten zou schrijven.

E-mailadres Afdrukken