Banner

Roddy Doyle

Rory en Ita

Jean Nauste - 21 juli 2003

"Ik heb in mijn leven in twee verschillende huizen gewoond, twee banen gehad en één man. Ik ben een heel interessante persoon". Dit schijnbaar ironische citaat, waarmee Doyles nieuwste boek opent, wekt grootse verwachtingen op. De lezer van Rory en Ita beseft daarentegen al snel dat deze quote geen greintje ironie bevat. Rory en Ita is het 300 pagina’s tellende levensverhaal van een overwegend gelukkig leven. And that’s that.

Met zijn nieuwste boek, Rory en Ita, is de Ierse succesauteur Roddy Doyle (Dublin, 1958) een nieuwe weg in zijn schrijverscarriere ingeslagen. Na de Barrytown trilogyThe Commitments, The Snapper en The Van — die het wedervaren in de Dublinse suburbia beschrijft, The Woman Who Walked Into Doors en Paddy Clarke Ha Ha Ha waarmee hij in 1993 de Booker Prize binnensleepte, kiest Doyle ditmaal resoluut voor non-fictie.

In Rory en Ita krijgen we een soort van autobiografie van Doyles ouders: beurtelings vertellen ze over de ’dingen des levens’. Maar, zoals de auteur het zelf verwoordt: "Over hen als ouders gaat het maar heel weinig. Mijn zussen en broers zijn geboren en hebben een naam gekregen, maar ik vond niet dat ik het recht had om hen op te voeren in dit boek". Een goede keuze zo blijkt, want het voorkomt dat dit relaas zou neigen naar een heimelijk ego-document, een verholen Roddy Doyle autobiografie.

Daar heeft dit boek dan ook weinig of niets van weg. In Rory en Ita is Roddy Doyle gedegradeerd tot een haast passieve kroniekschrijver: slechts gewapenend met een microfoon bezocht Doyle zijn ouders, legde hun levenverhalen vast op band en bewerkte die vervolgens voor publicatie. Ita Doyle pende zelf een nawoord neer — dat onder eigen copyright staat! — en het koppel formuleerde een eigen opdracht. Moeder en vader Doyle treden dus expliciet naar voren als vertellers, zodat de lezer zich soms op de koffie waant bij zijn eigen (over)grootouders.

Het boek draagt overduidelijke sporen van die vertelstijl: weinig variatie in zinsstructuren, erg veel herhalingen en vrij bizarre constructies zoals "Ik kan me niet herinneren hoe het gerepareerd werd, maar het werd heel gauw gemaakt, als ik me goed herinner". Die aparte vertelstijl kan aanvankelijk de lectuur wat belemmeren, maar wat meer stoort, zijn de eindeloze gedetailleerde beschrijvingen waarvan je je meer dan eens tevergeefs afvraagt waartoe dit alles leiden moet. Wanneer Ita in het eerste hoofdstuk haar ouderlijke huis beschijft, neemt ze de lezer mee "een trap op, dan [kom] je bij twee slaapkamers met een flinke overloop, met voldoende ruimte voor een mooie, grote ladekast voor het linnengoed en de handdoeken en dat soort dingen". Als ware de vorige beschrijving nog niet minutieus genoeg, voelt Doyle een onweerstaanbare drang om hieraan nog de volgende essentiële informatie toe te voegen "plus twee oude badpakken één voor een man en één voor een vrouw, met mouwen tot de ellebogen, pijpen tot de knieën".

Eerder dan een sfeerbeeld te scheppen, lijkt het wel alsof hij de hele erfenis inventariseert. Meer dan eens stoort Doyles tussenkomst. Alombekende historische figuren zoals Oliver Cromwell worden toegelicht in een voetnoot, maar een typisch Iers begrip als ’the pale’ wordt als bekend beschouwd.

De levensloop van dit echtpaar, en dan vooral van dat van Rory, is duidelijk verweven met de tumultueuze geschiedenis van het Ierland van de 20ste eeuw. Voor die lezers die enigszins vertrouwd zijn met deze woelige periode biedt Rory en Ita een aangenaam verslag van bevoorrechte getuigen. Anderen groeit deze warrige situatie meer dan waarschijnlijk boven het hoofd. Wel positief is dat de herinneringen aan het leven in dit politieke mijnenveld alsook de barre levensomstandigheden eigen aan die tijd — huurschuld, ondervoeding — voorkomen dat het koppel in zeemzoeterige nostalgie vervalt. Rory en Ita zijn overduidelijk gelukkig in het moderne Ierland. "We zijn heel erg gelukkig. [D]e gemakken van nu zijn onvoorspelbaar, vergeleken met wat wij hadden. […] Sommige dingen zijn, vind ik, echt verbazingwekkend. Zelfs de telefoon — dat vind ik fantastisch en de televisie. […] Ik vind het allemaal geweldig. Ik kan tot achter in de tuin lopen en toch door de telefoon met mensen blijven praten […]. Ik zeg vaak tegen mezelf: Is het niet fantastisch? Al die dingen zijn schitterend". Fijn dat te horen, zou je zo zeggen, maar zo een lofzang op de moderniteit heb ik al meer dan eens mogen aanhoren bij mijn eigen grootouders.

Rory en Ita is een problematisch boek. Enerzijds worden opgewekte verwachtingen niet inlost. Het boek is een aaneenschakeling van voornamelijk uiterst triviale feiten zonder socio-politieke inkadering. De opbouw is problematisch omdat Rory en Ita als vertellers doorbroken worden door, onder meer, Roddy Doyle, waardoor je noch duidelijke karakters krijgt, zoals dat in een roman het geval zou zijn, noch duidelijk afgelijnde vertellers. Anderzijds heeft het boek toch ook bepaalde merites. Het werk verdient een plaatsje op uw boekenplank als diepmenselijk verslag van de dagelijkse beslommeringen in het Ierland van de 20ste eeuw, maar bovenal als Roddy Doyles liefdevolle ode aan twee mensen die hem zichtbaar nauw aan het hart liggen.

E-mailadres Afdrukken