Banner

Cees Nooteboom

’s Nachts komen de vossen

Frida Dewitte - 16 juli 2010

Tegen alle verwachtingen in was het Cees Nooteboom die dit jaar de Gouden Uil wegkaapte. Met Tom Lanoye’s geroemde roman Sprakeloos in de shortlist leek het pleit al op voorhand beslecht, maar Nootebooms virtuoze, complexe bundeling kortverhalen ’s Nachts komen de vossen wist de jury nòg meer te betoveren.

Op de vraag waarom Cees Nooteboom weer (voor het eerst sedert het begin van zijn schrijverscarrière) kortverhalen gepubliceerd heeft, antwoordt de schrijver dat “het genre hem zoekt in plaats van omgekeerd”. Het idee dat de scheppende kunstenaar de controle verliest over zijn werk, is bij Nooteboom zo gek nog niet. Ook in ’s Nachts komen de vossen lijkt de stem van de auteur afwezig. In de afzonderlijke kortverhalen komen personage aan het woord die elk op hun eigen manier een innerlijke monoloog voeren. Een leidraad in die mengelkroes van stijlen is er niet echt, behalve dan misschien dat Nooteboom steevast de eenvoudige emoties uit de weg gaat. De personages geven telkens blijk van een bepaald intellectueel vermogen en het is altijd weer een waagstuk om als lezer op dezelfde golflengte te geraken. Dat is een uitdagend gegeven, maar tegelijk werkt het vermoeiend voor de lezer. De verhalen zijn kort, komen zonder welomfloerste “oplossing” of finale, en rollen vanzelf in een volgende historie. Wat achteraf blijft hangen is dan ook meer een roes van sferen dan concrete zinnen, personages of gebeurtenissen.

Geheel zonder houvast is het boek niet; hoe kan een onsamenhangende roman immers de Gouden Uil winnen? Thematisch hangt ’s Nachts komen de vossen dan ook stevig samen, met verhalen die telkens handelen over misbegrepen personages die als vereenzaamde melancholici hun omgeving moeten ondergaan. Het is wonderlijk hoe Nooteboom soms zonder enig decor een verhaal kan schetsen over menselijke lijden, maar uiteindelijk wordt het abstracte nogal zwaar op de hand. Wie meerdere kortverhalen na elkaar leest, zal het moeilijk hebben om de draad telkens opnieuw te blijven oppikken. Nooteboom maakt het zijn lezers nochtans niet opzettelijk moeilijk, het is het hermetische inherent aan zijn stijl dat ’s Nachts komen de vossen tot een “lastige” dobber maakt.

Gelukig krijgt de volhardende lezer meer dan genoeg terug voor de moeite. Dat Nooteboom een ongelofelijke taalvirtuoos is, moet niet meer gezegd, maar ook met betrekking tot de menselijke gedragingen heeft onze noorderbuur interessante dingen te vertellen. In subtiele psychologische ontledingen beschrijft de auteur wat afscheid, verliezen, loslaten en houden van eigenlijk betekenen. Dat klinkt als een megalomaan opzet, maar Nooteboom doet niet alsof hij nieuwigheden verkondigt. ’s Nachts komen de vossen is een volstrekt pretentieloze verzameling parabels waar Nooteboom heel tactvol de lessen des levens doorheen verweeft. En dan zijn er natuurlijk nog parels van zinnen, waarbij de lezer maag en spieren voelt samenkrimpen van schoonheid. “Ze liet zich strelen met een afgewend gezicht en viel dan indrukwekkend in slaap met de afwezigheid van een dier waarvoor de wereld niet meer bestaat.” Of wat dacht u van de openingszin van de bundel: “Gondels zijn atavistisch, hij wist niet meer waar hij dat gelezen had, en wilde daar nu ook niet over nadenken omdat er dan, dacht hij, iets van pathos van het ogenblik zou vervliegen.” Schitterend, toch?

Wat nog het meest van alles opvalt, is de tijdloosheid die van Cees Nootebooms oeuvre afstraalt. Ondanks zijn gezegende leeftijd, mijdt de man elke vorm van nostalgie of zoetgevooisde pennenlikkerij. Integendeel: in ’s Nachts komen de vossen horen we de stem van een klepper uit de Nederlandse letteren die nu meer dan ooit emoties en verhalen kwijt moet. Die drang tot schrijven zit in elke pagina gegrift, en dat is misschien nog het allermooiste van deze bekroonde roman. Het gevoel dat literatuur ontstaat uit noodzaak, ervaart de moderne lezer helaas niet elke dag meer. Tot Nooteboom nog eens komt piepen…

E-mailadres Afdrukken