Banner

A.F.Th. van der Heijden

Doodverf

Guy Peters - 16 oktober 2009

Er zijn auteurs die het niet kunnen laten om terug te grijpen naar hun ouder werk, om het aan te vullen, te nuanceren of actueel te houden. Zo ook van der Heijden, die terugkeert naar zijn geprezen monstercyclus om er een literaire thriller uit te puren. Verwacht echter geen vakantieliteratuur: Doodverf is van hetzelfde kaliber als ’s mans beste werk.

Het meest bevredigende aspect van de haast Proustiaanse aanpak van De tandeloze tijd, goed voor 3000 pagina’s die behoren tot de meest ambitieuze literatuur die dit taalgebied ooit voortbracht, was het geduld waarmee de auteur zijn project verrijkte. Proloog De slag om de Blauwbrug (1983) telde slechts een goeie honderd pagina’s, maar raakte meteen alle voorname thema’s aan. Door de gerekte werktijd (van der Heijden deed er een kleine vijftien jaar over om zeven boeken te schrijven) bleef de betekenis van die proloog steeds groeien. Wat aanvankelijk niet meer dan een terloopse opmerking leek, werd een aantal jaren later, in een lijvig vervolg, uitgewerkt tot een verhaallijn van tientallen, soms honderden pagina’s. Zo werd je als lezer deelgenoot gemaakt van een complex web van betekenislagen dat door de breedvoerige aanpak, door de schrijver een uitwerking van ’het leven in de breedte’ genoemd, naar een steeds groeiende rijkheid toewerkte die ongezien was in deze contreien.

Met Doodverf blikt van der Heijden terug naar Onder het plaveisel het moeras (1996) en heeft hij "(…) met de schaar in de hand, de verhaallijn over de zogeheten Gipsmoord gelicht, om die via een proces van herzien, aanvullen herordenen en opnieuw monteren tot een roman te verzelfstandigen." Het is niet echt duidelijk wat de motivatie achter deze beslissing is: Doodverf is duidelijk geen aanvulling op de cyclus, daarvoor overlapt het wat veel met vorige delen en tegelijkertijd is het ook geen samenvatting of versimpelde versie. Als van der Heijden er vooral op uit was om een literaire thriller te schrijven en bedacht dat zijn bestaande werk beter zou zijn dan iets nieuw te gaan verzinnen, dan is het resultaat op z’n minst dubieus.

Doodverf kan beschouwd worden als een op zichzelf staande roman, maar dan wordt er van de lezer wel verwacht dat deze ofwel geen bezwaar heeft tegen een herkauwing van een bekend verhaal, ofwel leert leven met een roman die duidelijk een groter complex verraadt maar niet altijd bereid is om daar meer over los te laten. Het isoleren van een verhaallijn is perfect mogelijk, maar wie het werk van deze schrijver kent, die weet dat er ook waanzinnig veel verloren moet gaan, en voor degenen die voor het eerst te maken krijgen met van der Heijdens vertelkunst zal het ongetwijfeld geen makkelijke taak zijn. Bovenop het inhoudelijke krijg je immers ook te maken met die barokke, vaak sensuele manier van vertellen, die gulle taalwereld en onbeschaamd virtuoze beeldenpracht, die gemaakt is om over lange periodes en in grote dosissen te genieten.

Is De tandeloze tijd naast een overkoepelend project ook een gigantische bundel filosofische mijmeringen, dan is het vooral ook het verhaal van Albert Egberts, wiens leven een paar decennia lang de voedingsbodem vormt voor een verhaal dat tevens een politieke en culturele geschiedenis van Nederland is. In Doodverf, dat zich afspeelt in de tweede helft van de jaren zeventig, wordt de focus gelijk verdeeld over vier personages: er is de driehoeksfiguur van Albert en zijn vrienden, Thjum en Flix. Is de ene een acteur, dan is de andere een kunstenaar op zoek naar de meest realistische kunst mogelijk. Om zijn opvattingen uit te voeren besluit hij gipsafdrukken van mensen te maken die, volledig ingepakt in het plakkerige spul, verwacht worden om de doodstrijd uit te beelden. De resultaten benaderen het ideaal (het versteende graf van Pompeii), al is dat voor Flix niet genoeg. De vraag is hoe ver hij zal gaan om zijn ideaalkunst tot uitvoering te brengen.

Doodverf biedt echter meer dan het verhaal van de ’Gipsmoord’, door ook dat van kindersmokkelaar Gesù Porpora en zijn verhouding tot Albert op te rakelen. Egberts, die als student wat bijverdiende als koerier werd al snel verstrikt in het web van Porpora, die de naïeve koerier gebruikt om kinderen uit zijn Italiaanse kweekvijver te vervoeren van naar Nederland en aan toekomstige pleegouders te bezorgen. In deze roman wordt verder benadrukt welke huiveringwekkende daden Porpora begaat en wordt er een tipje van de sluier opgelicht over zijn motivatie. En het blijft niet bij kindersmokkel; doorheen het boek wordt ook duidelijk dat de morele grenzen volledig overschreden worden als kindermoord en drugshandel hand in hand gaan. Het levert enkele pagina’s harde gruwelliteratuur op.

De meest voor de hand liggende redenen waarom dit als een literaire thriller beschouwd kan worden zijn de ’Gipsmoord’ en de straffe thema’s die passeren: kindermisbruik en -smokkel, verkrachting, porno, drugsgebruik, allemaal worden ze in een roman gestouwd die geurt naar verval. Maar het is zo veel meer dan dat. Doodverf biedt geen afgerond verhaal, geen klassieke tegenstellingen, geen afgelijnd taalgebruik, geen antwoorden, geen conventionele ’spanning’. Bij van der Heijden is de noodzakelijke moord uiteindelijk bijkomstig: overtuigingen, portretteringen en taal hebben het voor het zeggen in deze voluptueuze roman die zich, net als de boeken waar het een uitwas van is, onder de Literatuur schaart. Rest dan nog de vraag wie ervan gediend is. Voor sommigen is het misschien een ideale kennismaking, al valt nog te bezien of de onvoorbereide lezer zich niet tekortgedaan voelt door deze gecondenseerde en daardoor potentieel verwarrende en wat overweldigende roman.

E-mailadres Afdrukken