Banner

Herman Melville

Moby Dick

Jurgen Boel - 18 september 2009

“Call me Ishmael” is een zin die tot de canon behoort. Iedereen kent hem en iedereen kan hem plaatsen. Het voelt zelfs vreemd aan om de correcte en logische vertaling “Noem me Ismaël” te lezen, zozeer is die ene zin in het collectieve geheugen gebeiteld. Iedereen kent Moby Dick en iedereen weet waarover het gaat, maar hoeveel mensen hebben het boek werkelijk gelezen?

Bitter weinig ongetwijfeld, zeker in ons taalgebied. De verwijzingen naar de grote witte walvis en de door wraakzucht geplaagde en verblinde kapitein Achab mogen dan wel wijd en zijd gekend zijn, in het boek zelf spelen ze pas laat in het verhaal een rol. Het is inderdaad even schrikken om te merken dat Achab, op enkele verwijzingen na, pas in het 36e van de 135 hoofdstukken zijn opwachting maakt en de jacht op de walvis zelfs maar de laatste drie hoofdstukken en bijgevolg ook een verwaarloosbaar aantal pagina's beslaat in de monumentale roman. En toch domineren ze het boek met recht en rede.

De hoofdstukken met en over Achab en Moby Dick ademen immers een blinde waanzin uit. De onderliggende dreiging en het verlangen van twee titanen om een laatste maal de degens te kruisen is continu tastbaar. Zelfs in de uitweidingen over de walvisvaart, fluistert Achab om nooit het doel uit het oog te verliezen en daagt de witte walvis vanuit de verte zijn jagers uit. De obsessies van Achab druipen van de pagina's terwijl de lezer al even machteloos als de walvisvaarders de verdoemde kapitein en zijn noodlot volgt. Het valt niet moeilijk om te geloven dat Melville in dit werk zijn ziel goot en zowel Shakespeare, Cervantes als de Bijbel naar de kroon wou steken.

De thema's van wraak en verlossing zijn universeel en verheven terwijl de uitwerking vaak banaal en aards is. Walvisvaarders zijn ruwe kwanten die ondanks filosofische overpeinzingen en gezwollen taal dagdagelijks geconfronteerd worden met het harde leven op zee en dus voor medelijden of romantiek geen tijd hebben. Slechts in de eerste hoofdstukken, wanneer het hoofdpersonage kennis maakt met de wilde Queequeg en de homo-erotische spanning nauwelijks verholen aan bod komt (Ismael en Queequeg delen een bed en slapen verstrengeld in elkaar) is er nog plaats voor een logisch narratief verhaal.

Meer dan eens verliest Melville immers de trappers en is het niet langer duidelijk wie nu aan het woord is. Want ook al start het boek als een monoloog van Ismaël, het duurt niet lang vooraleer het uitwijdt over de walvisvaart en zelfs gebeurtenissen elders op het schip nauwkeurig verhaalt, nu eens vanuit het standpunt van de universele verteller, dan weer vanuit het oogpunt van een betrokken partij. Hoofdstukken lang verneemt de lezer bijvoorbeeld niets van Ismael, tot hij opeens weer opduikt en zijn rol van verteller opneemt alsof de vorige pagina’s er niet toe doen.

Het is een schizofrene en zeker in het begin vermoeiende manier van vertellen en lezen maar tezelfdertijd wordt de lezer zo hard meegesleurd in het ratjetoe van verhalen, overdenkingen en (pseudo-)wetenschappelijke uiteenzettingen dat het niet langer een struikelblok vormt. Op dat ogenblik neemt Moby Dick het over en zit de lezer vastgeketend aan het boek als een walvis aan een harpoen.

De prestatie die Melville levert, is monumentaal net als het boek. De structuur en opbouw is gammel en rommelig maar de grandeur is die van een kathedraal. Moby Dick is het verhaal van Achab, van Ismael, van de walvisvaarders en van Moby Dick. Het is een gedeeld en een individueel verhaal. Het is een roman over een man en zijn obsessies maar ook een vertelling over de blinde natuurkrachten. Een werk dat chaotisch en ongestructureerd is en net daardoor een onverwachte eenheid vindt. Moby Dick wordt met recht en rede een meesterwerk genoemd en verdient het om gelezen te worden.

E-mailadres Afdrukken