Banner

Lázló Darvasi

De tranengoochelaars

Jurgen Boel - 20 februari 2009

De Oost-Europese ziel en dan in het bijzonder deze die ooit onder het juk van het Ottomaanse rijk zuchtte, kent een wreedaardige weemoedigheid en een magisch-realistisch geloof dat nergens zijn gelijke kent. Maar al te vaak leidde dit vreemde huwelijk tot onnodige wreedheden en onvatbare schoonheid.

Tot op heden was het vooral de Albanese schrijver Ismail Kadare die als geen ander de magische wereld van het Ottomaanse Rijk tot leven wist te brengen en daarbij achteloos magische elementen in het verhaal verweefde opdat het verhalentapijt nog meer zou schitteren. Ook in De tranengoochelaars van de Hongaar Lázló Darvasi staat het Ottomaanse Rijk centraal, en opnieuw is het een land waar onnoemelijke wreedheden en de meest fantastische onmogelijkheden plaats vinden als behoorden ze tot de dagdagelijkse banaliteit.

Wie weigert te geloven dat mannen met hondenkoppen bestaan of dat honinghandelaars zich in honingpotten verbergen, hoeft niet aan dit boek te beginnen. Net zomin zullen harde realisten hun onbegrip opzij leggen wanneer gesproken wordt van spionnen die handelen in dromen en in hun haren geheimen verbergen. Laat staan dat ze ook maar een seconde mee willen gaan in het verhaal van een kind dat na een noodlottige val uit een boom verandert in een oude dwerg met schrille stem.

Het zijn geen alledaagse figuren die in De tranengoochelaars hun opwachting maken; de titelfiguren nog het minst van allemaal. Met vijven zijn de vreemde snuiters die doorheen het hele verhaal opduiken en hun vreemde tranen (brandbare honing, bloed, ijspegels, zwarte stenen en het beeld van je doodsvijand) huilen zonder verdrietig te zijn. Het enige wat met zekerheid gezegd kan worden, is dat ze een hand hebben in veel gebeurtenissen, ook al zetten ze die dan niet in gang.

Rechtlijnig is het boek ook al niet. In de talloze korte hoofdstukken, vaak niet langer dan enkele paragrafen, springt Darvasi van het ene personage naar het andere waarbij een enkel moment uit diens leven verhaald wordt, alvorens een ander zijn opwachting mag maken en een nieuw stukje van de puzzel aanlevert. Wie verder leest, herkent steeds meer namen en gebeurtenissen en merkt opeens hoezeer die gebeurtenissen en levens met elkaar verbonden zijn.

Darvasi heeft van bij de start een doel voor ogen, maar liever dan de lezer er onmiddellijk heen te brengen, voert hij hem over allerlei kronkelpaadjes en staat hij stil bij de zeldzame begroeiingen langs de weg. Pas wanneer het einddoel bereikt is en het boek dichtgeklapt, wordt duidelijk hoezeer de mozaïeksteentjes samen een adembenemend schouwspel vormen en hoe alles in elkaar past en een geheel vormt. De pracht van de roman ligt niet alleen in de poëtische schets van een onverschillige, wrede wereld maar ook in zijn schijnbaar grillige opbouw.

De tranengoochelaars is net als de Oost-Europese ziel onpeilbaar diep, onmenselijk wreed en onbegrensd weemoedig. Het is een lappendeken van verhalen en ongeloofwaardige vertellingen die samen een klaaglied vormen dat stilzwijgend vertelt over de condition humaine en zijn inherente droefenis en zielenpijn. Wie zich wil onderdompelen in het fantastisch-tragische van een wereld die Oost en West in zijn armen klemde, zal in De tranengoochelaars zijn eigen verhaal terugvinden.

E-mailadres Afdrukken