Banner

Mario Sabine

De dag waarop ik mijn vader doodde

Jurgen Boel - 13 februari 2009

Of psychoanalyse werkelijk de 21e eeuw zal overleven, is hoogst twijfelachtig. Als psychologisch ideeëngoed lijkt ze immers steeds meer aanhangers te verliezen. Dat ze een relatief groot aantal nieuwe begrippen geïntroduceerd heeft, kan echter niemand ontkennen. Tot de bekendste daarvan behoren ongetwijfeld neurose, penisnijd, het onderbewuste en het oedipuscomplex.

Het oedipuscomplex is maar een van de vele verwijzingen naar literatuur en mythologie die door Freud gebruikt werden om zijn ideeën te duiden. Het geniale hiervan lag niet zozeer in de ontdekking ervan (per slot van rekening raakt de gehele beweging steeds meer in diskrediet) maar wel de grote mate van herkenbaarheid die dergelijke begrippen in zich dragen. Geen wonder dus dat ze al snel hun weg terugvonden naar de literatuur en zo de wederzijdse kruisbestuiving compleet maakten. Ook in De dag waarop ik mijn vader doodde, het debuut van de Braziliaanse Mario Sabine, zijn de freudiaanse toespelingen nooit ver weg. Meer zelfs, ze maken integraal deel uit van het verhaal.

In De dag waarop ik mijn vader doodde lezen we de gesprekken die een man met een vrouwelijke psychiater voert. In het kader hiervan haalt hij verschillende anekdotes en gebeurtenissen uit zijn leven aan waarbij de slechte verstandhouding tussen zijn vader en hem een rode draad vormt. Onrechtstreeks geven ze ook een inkijk in hoe de zoon zijn vader zag en ervoer: als een viriel alfamannetje waartegen hij het steevast moest afleggen.

Hoewel de vader als een weinig sympathieke en ongesofisticeerde, maar financieel heel succesvolle bruut wordt afgeschilderd, verwordt hij nooit tot een karikatuur. De grote verdienste van Sabine is dat hij de vader-zoonrelatie zo treffend weet te verwoorden dat de daden van de vader haast met een korrel zout genomen worden. In het achterhoofd speelt immers steeds de idee mee dat hier een misnoegde en jaloerse zoon annex moordenaar spreekt.

Naast deze betekenissen omvat De dag waarop ik mijn vader doodde ook de niet-afgewerkte roman van het hoofdpersonage, waarin deze de menselijke natuur en de vraag rond goed en kwaad in de traditie van Dostojewski probeert te doorgronden. Een dergelijke doorbreking van het kaderverhaal kan een goedkope truc zijn om inhoudelijke zwaktes te verbergen, maar Sabine weet het treffend te incorporeren in zijn verhaal. De keuze om de roman als een monoloog gericht tot een gerechtspsychiater op te vatten, heeft hier uiteraard toe bijgedragen.

De voornaamste kracht van het boek ligt evenwel in de zakelijke toon waarmee het geheel verteld wordt, alsof het iemand anders is die de daad gesteld heeft of liever alsof de vader en de zoon niet meer waren dan twee mythologische personages die de rol opnamen die het noodlot voor hen had vastgelegd. In dat licht is het verrassende maar ook logische einde niet eens zo vreemd of vergezocht. Het is niet meer dan de onafwendbare conclusie die van bij het begin vastgelegd was.

De dag waarop ik mijn vader doodde is een korte roman die het niet hebben moet van doorwrochte plotwendingen of overgeïntellectualiseerde verhaallijnen. Ook mooischrijverij lijkt volledig uit den boze te zijn. De kracht en aantrekkingskracht van het boek ligt in zijn bedrieglijke eenvoud die pas nadat de laatste woorden uitgestorven zijn, duidelijk maakt hoezeer dit verhaal binnen een aloude traditie past waarbij het onderliggende motief niet langer uitgesproken moet worden, zozeer zit het in onze traditie en cultuur ingebakken.

E-mailadres Afdrukken