Banner

Marilynne Robinson

Een huishouden

Jurgen Boel - 17 oktober 2008

Vreemde vogels en rare kwieten vormen een dankbaar onderwerp voor schrijvers. Een personage dat buiten de lijntjes kleurt, schrijft het verhaal zelf wel en verklaart meteen een hoop kunst- en vliegwerk. Alleen wordt het al snel ongeloofwaardig, karikaturaal of domweg irritant.

In haar debuutroman Een huishouden (1980) haalt Marilynne Robinson ook een stoet vreemde figuren voor het spotlicht, alleen weet ze hen op zo’n manier te portretteren dat hun eigenaardigheden veeleer deel uitmaken van hun essentie dan dat ze dienen om het verhaal vaart te geven of een leegte in de roman te vullen. Hun gekke trekken maken weliswaar een substantieel deel uit van wie en wat ze zijn, maar het wordt nooit hun bestaansreden.

In 1982 verscheen Een huishouden een eerste maal in vertaling, waarna het meer dan twintig jaar wachten was op een heruitgave. Hoe wraakroepend dit ook moge zijn, het volgt wel Robinsons eigen parcours die zelf pas in 2004 haar tweede roman, Gilead, publiceerde. In zeker zin past de late herdruk en het lange wachten op een tweede boek (Home, haar derde roman verscheen overigens eerder dit jaar) bij de wereld die ze zelf wenst op te roepen in dit verstilde debuut waar excentriciteit en leven op eigen tempo twee belangrijke thema’s zijn.

De korte familiekroniek Een huishouden speelt zich af in het fictieve stadje Fingerbone (Idaho) en concentreert zich op het leven van de zusjes Ruth (de vertelster) en Lucille. Nadat hun moeder Helen om onduidelijke reden met de wagen in de rivier nabij Fingerbone reed — dezelfde waarin haar vader verdronk tijdens een treinongeval — worden de twee zusjes overgedragen aan de zorgen van hun grootmoeder Sylvia Foster, een grootmoeder die ze nooit ontmoet hebben. Vijf jaar lang zal zij voor hen zorgen, waarna haar twee schoonzusters bij haar (natuurlijk) overlijden het van haar met enige tegenzin overnemen.

De beide dames voelen zich namelijk te oud om de opvoeding van twee jonge meisjes op zich te nemen en zoeken naarstig naar de overlevende familieleden van Ruth en Lucille. Hun natuurlijke vader is jaren geleden met de noorderzon vertrokken, evenals hun twee tantes Molly (die missioneringwerk verricht in Azië) en Sylvie van wie beweerd wordt dat ze kort na haar huwelijk voor een zwervend bestaan gekozen heeft. Via enkele advertenties in kranten wordt Sylvie opgespoord waarna ze met de opvoeding van haar nichtjes belast wordt.

De wereldvreemde Sylvie is evenwel niet de meest geschikte persoon om de rol van (strenge) ouder over te nemen en na een korte tijd lopen de zaken dan ook grondig fout. Het kleine dorpje kan maar niet wennen aan haar excentrieke gedrag en gelooft niet langer in haar capaciteiten als opvoeder; een visie die overigens gedeeld wordt door Lucille, die krampachtig naar goedkeuring van de gemeenschap hengelt.. Voor Ruth daarentegen is Sylvie het typevoorbeeld van een vrijgevochten geest die een eigen leven uitstippelt, wars van alle maatschappelijke druk of conventies.

Het einde laat zich raden en vormt slechts een (logisch) eindpunt binnen een verhaal dat in de eerste plaats een fragmentarische beschrijving is van drie generaties en hoe zij met het leven omgaan. Bij monde van Ruth komt de lezer immers net zo goed enkele niet onbelangrijke details van het leven van haar familieleden te weten, al was het maar om zaken uit het heden te duiden. Het mag duidelijk zijn dat binnen deze familie Lucille het buitenbeentje is.

Robinson had gemakkelijk voor deze of gene partij kunnen kiezen en het dorp dan wel Sylvie als bekrompen of net gestoord kunnen afschilderen. Ze kiest er echter voor om louter te beschrijven zonder te oordelen. Op die manier wordt elk personage in zijn waarde gelaten en is het aan de lezer om voor zichzelf uit te maken welke keuze de beste is. De beheerstheid waarmee Robinson de levens in Een huishouden brengt en weet te vatten, verleent aan het verhaal een ontroerende schoonheid die de lezer met een gevoel van melancholie achterlaat.

E-mailadres Afdrukken