Banner

Richard Yates

Paasparade

Jurgen Boel - 06 juni 2008

“Dat heet dan gelukkig zijn” zong Ann Christie, paradoxaal genoeg iemand die zelf weinig redenen had om het te zijn. Maar wat is geluk, en nog belangrijker, hebben we als mens daar zonder meer recht op? Is geluk een natuurrecht waar iedereen aanspraak op kan maken?

Er zijn genoeg mensen te vinden die daar volmondig “ja” op zullen antwoorden, maar Richard Yates is, althans in zijn geschriften, geen van hen. De Amerikaanse auteur stierf in 1992 en liet een handvol romans na die in de eerste plaats door andere schrijvers en de kritiek gewaardeerd werden. Pas na zijn dood kreeg hij van het publiek de waardering die hij verdiende en werden zijn boeken eindelijk opnieuw gedrukt. Geen wonder dus dat Easter Parade (1976) -- voor velen nochtans zijn beste werk -- nu pas in vertaling beschikbaar is.

Met de ijzersterke openingszin wordt meteen de toon van het verhaal gezet: “Geen van beide zusjes Grimes zou in het leven gelukkig worden en als ze er op terugkeken leek het alsof de narigheid met de scheiding van hun ouders begonnen was.” Veel valt daar niet aan toe te voegen, of het zou een gedetailleerdere kroniek van drie levens in verval moeten zijn. Vier, als we naast moeder Pookie ook vader Grimes’ laatste droevige jaren erbij nemen.

Hoewel het verhaal zich op de zusjes Grimes en hun moeder richt, is Emily, de jongste van de twee zussen, de protagonist van het verhaal. Het is zijdelings door haar ogen dat we de familie Grimes gedurende veertig jaar volgen in hun ongeluk dat enkele zeldzame momenten van klatergeluk kent, alsof die valse vreugde hen nog meer wil wijzen op het feit dat geluk, echt geluk, voor hen niet weggelegd is.

Al sinds de geboorte van de zussen is de moeder bezeten door de idee dat men “geslaagd door het leven moet gaan” en dat het volstaat om daar te allen tijde de schone schijn voor op te houden. Ook al kan ze het zich financieel eigenlijk niet permitteren, toch trekt ze steevast naar de “betere buurten”, in de hoop dat het succes en aura van de bewoners ook op haar en haar dochters zal afstralen en dat ze zo, via hen, in de vaart der volkeren zal opklimmen tot de hogere, gegoede klasse.

Sarah, de oudste dochter, is duidelijk de knapste van de twee. Na enkele flirts, die gepaard gingen met het nodige verdriet, lijkt ze het geluk gevonden te hebben bij Tony Wilson, de zoon van de bovenburen. Maar ondanks de drie kinderen die uit het huwelijk voortkomen, glijdt Sarah steeds verder weg in haar ongelukkig huwelijk. Alle plannen en ideeën om het vooralsnog als schrijfster te maken, verwelken samen met haar schoonheid en vitaliteit.

Emily brengt het er ondanks haar scherpe verstand niet veel beter vanaf. Ze kan de universiteit afwerken dankzij een jaarlijkse beurs, maar in de liefde vindt ze geen geluk. De ene flirt na de andere eindigt in bittere tranen tot ze als een wrokkige vrouw van middelbare leeftijd achterblijft, zonder enig idee of haar leven eigenlijk wel iets te betekenen heeft.

Mededogen valt er niet te rapen in Paasparade. Van spot is er echter geen sprake: Yates registreert alleen maar, klinisch en koel. Toch haat hij zijn personages niet, tussen de lijnen valt er begrip te lezen en een zekere droefheid om zoveel lijden, maar het is niet aan de auteur om de feiten te verdraaien of te verbloemen. Yates is een chroniqueur van een fictief verhaal rond de stukgeslagen Amerikaanse droom van schoonheid en succes. Zijn personages waren knap of slim, en toch was het niet voldoende. Het leven deelt de kaarten uit en daar moeten we het maar mee doen. Gelukkig zijn is geen recht maar een toevallige bonus, een stom toeval.

E-mailadres Afdrukken