Banner

Piet Meeuse

Het lied van de ezelin

Jurgen Boel - 30 mei 2008

Postmoderne ironie, het monkelend lachen om alles en iedereen behalve zichzelf heeft langzamerhand zulke gênante proporties aangenomen dat het een kwestie van tijd is vooraleer iemand de zak hete lucht met een enkele speldenprik laat ontploffen. Toch heeft het zijn bestaansrecht, bij gratie van enkelen.

Piet Meeuse is daar één van, hij bewijst dat een postmoderne visie op geschiedenis en cultuur met een ironische knipoog kan worden bekeken zolang men zichzelf of zijn werk maar niet te ernstig neemt en laat kreunen onder een teveel aan intellectuele moeilijkdoenerij die zogezegd parodiërend is. Zijn verhalenbundel Het lied van de ezelin verwijst heel vaak naar andere tijden, zeden en gewoonten, maar intellectualistisch wordt het nooit. Grappig, ja dat wel.

Met deze nieuwe verhalenbundel wil Meeuse zijn lezer in de eerste plaats amuseren en entertainen. Ook al plukt hij daarvoor gretig uit het grote geschiedenisboek voor jongens, pompeus gratuit wordt het nooit. Wie maalt er immers om de historische achtergrond van de oudtestamentische (doem)profeet Bileam? Maakt het een zier uit dat hij volgens de Bijbel werkelijk God hoorde en zijn ezelin afranselde? Het titelverhaal wordt er niet minder amusant door en net zo min krijgt de wereldwijsheid die erin zit een extra dimensie. Wie dat denkt, heeft het verhaal en bij uitbreiding het boek niet begrepen.

Uiteraard zijn niet alle verhalen even sterk of grappig noch zijn ze als dusdanig bedoeld. Het doel van Meeuse is niet zozeer een kolderieke roman neer te pennen dan wel cursiefjes aan te reiken die je de ene keer doen schateren, dan weer laten nadenken of gewoon verwarring zaaien en je gefrustreerd achterlaten met de vraag of je hier nu werkelijk je kostbare tijd aan verspild hebt. In dat opzicht lijkt Meeuse op zijn personage, Meester Bong, de wijze dwaze/dwaze wijze die niet zou misstaan in Matthijs Van Boxsels Encyclopedie van de domheid.

De ene keer lijkt Meeuse inderdaad leentjebuur te spelen bij Van Boxsels stokpaardjes, dan weer trekt hij de kaart van een beknopte en minder eruditie etalerende Umberto Eco om ten slotte ook een lichtvoetigere Franz Kafka te imiteren. Meer dan eens zitten er zelfs elementen van deze drie tenoren in samen met zoveel anderen uit de (wereld)literatuur, maar bovenal blijft Meeuse zelf aan het woord. Minzaam momkelend maar toch ontroerd.

Piet Meeuse is geen cynicus, althans niet in dit boek. Ook al lust hij zijn humor rauw en kleurt hij graag buiten de lijntjes, echt gemeen wordt hij nooit. De drama’s zijn absurd, maar niet pijnlijk en de grappen donker, maar niet zwartgallig. Het lied van de ezelin is de soort bundel die bewijst dat er in iedereen en alles wel iets goeds kan zitten, zelfs in postmoderne ironie.

E-mailadres Afdrukken