Banner

Marek van der Jagt

Ik ging van hand tot hand

Jurgen Boel - 02 mei 2008

Bij het verschijnen van Gstaad 95 - 98 was de vraag niet zozeer of het een goed boek was, dan wel of het al dan niet "hij" was die de pen van Marek van der Jagt vasthield. Die "hij" was Arnon Grunberg, enfant terrible en wonderkind van de Nederlandse literatuur. Twee dagen na de verschijning van het boek bekende hij alles.

De ontmaskering van van der Jagt/Grunberg gebeurde geleidelijk aan, maar die geschiedenis heeft hier geen plaats. Hoogstens is het interessant om te merken hoe van der Jagts ideeën langzaam een weg vonden in Grunbergs eigen werk, te beginnen met De Asielzoeker. Geen wonder dus dat, los van de ontdekking van het dubbelspel, ook het bestaan van Marek van der Jagt nutteloos was geworden: zijn geestelijke vader had hem opgeslorpt en geïncorporeerd.

Wat Marek van der Jagt tijdens zijn korte bestaan geschreven heeft, is evenwel zonder meer indrukwekkend te noemen: naast twee romans, zijn er ook verscheidene essays, columns en zelfs enkele brieven. Zelden heeft een pseudoniem zo’n rijk maar ook uitgewerkt literair leven gekregen. In Ik ging van hand tot hand zijn alle publicaties verzameld, waardoor de lezer ook een inkijk krijgt in de aanzetten tot de twee romans. Samen met onder andere de columns vormen ze een toemaatje dat in de eerste plaats de volledigheid dient.

Uiteraard steken de beide romans er met kop en schouders boven uit. Zowel De geschiedenis van mijn kaalheid als Gstaad 95-98 ademen een vreemde moedeloosheid uit waarbij de hoofdpersonages als onverschillige automata handelingen treffen zonder ooit oog te hebben voor de gevolgen. De wreedheid die in beide romans prominent aanwezig is, is des te pijnlijker omdat ze geen (hoger) doel heeft. Net als de kosmos of de natuur dient het lijden hier niets, niet eens een perverse geest. Het is aanwezig, niets meer of minder.

Toch kunnen de andere publicaties niet van de baan geschoven worden als leuke extraatjes zonder meer. Zo mogen Monogaan, De Kinderen van Yam Yum en Geruisloos onder de mensen — een Weens kerstverhaal terecht hun plaats opeisen in de bundel, net als het intrigerende essay Otto Weininger, of Bestaat de Jood?. Van der Jagt (een filosofiestudent) laat in dit essay zijn licht schijnen over het duale bestaan van de ongelukkige schrijver Weininger aan de hand van diens monumentale mislukking Geslacht en karakter (1903).

Zo er ooit al een levend wezen was dat van der Jagts personages benaderde, dan was het wel Weininger (1880), een homoseksuele Jood die zowel het vrouwelijke als het Jood-zijn verafschuwde als abstracte persoonlijkheidskenmerken en niet anders kon dan zelfmoord plegen (in 1903). In De dood van het Haantje tracht van der Jagt een zelfde reflectie te maken over de joodse Nederlander Jacob Israël de Haan (1881), wiens levenswandel al evenzeer romanesk te noemen is. Voor wie na dit alles nog niet genoeg van der Jagt achter de kiezen heeft, zijn er tot slot nog zijn luchtigere filosofisch geïnspireerde columns, enkele brieven en korte reflecties. Het merendeel daarvan haalt echter niet het niveau van de aangehaalde werken.

Nu de waarheid bekend is, is het verleidelijk om de verbanden tussen beide "schrijvers" te zoeken. Het staat buiten kijf dat Grunberg van zijn pseudoniem geleerd en geleend heeft, maar toch blijven ze een verschillende stijl hanteren. Grunberg heeft ondanks alles nog mededogen voor zijn personages. Van der Jagt is veeleer de ijskoude analyticus van de pijn. Ik ging van hand tot hand is in meerdere opzichten een monumentale bundel. De verhalen die het herbergt, schetsen echter geen beeld van een betere wereld.

E-mailadres Afdrukken