Banner

Arnon Grunberg

Tirza

Jurgen Boel - 13 november 2006

Arnon Grunberg is bij het grote publiek vooral bekend om zijn vileine columns waarin hij bij voorkeur op een spottende en sarcastische toon brandhout maakt van collega-schrijvers en nobele bekenden. Populair wordt hij er niet mee, maar dat is nooit zijn streefdoel geweest.

Behalve professioneel salonoproerkraaier — wanneer hij door een schrijver geconfronteerd wordt met zijn uitlatingen, wringt Grunberg zich als een volleerd slangenmens in allerlei bochten — en enfant terrible met een hoog te houden imago — Grunbergs verloofdes zijn apart te noemen — is hij vooral een getalenteerd schrijver die met zijn debuut Blauwe maandagen onmiddellijk hoge ogen gooide. Zijn derde boek Fantoompijn, bevestigde wat iedereen al lang vermoedde: Grunberg is een rasschrijver.

Onder het pseudoniem Marek Van Der Jagt bracht hij daarna twee boeken uit, De Geschiedenis van mijn kaalheid en Gstaad 95-98, waarin het groteske en grimmige een belangrijkere plaats kregen dan in het werk dat hij onder eigen naam uitbracht. Maar in zijn later werk, De asielzoeker en de verbluffende "grote Joodse roman" De Joodse Messias, bracht Grunberg de Van Der Jagt-stijl meer tot uiting. De lezer werd haast fysisch onwel na het lezen van zoveel zwartgalligheid, die klinisch blootgelegd werd.

Grunbergs mensvisie is dan ook allesbehalve vrolijk te noemen: zijn personages wentelen zich allemaal in gelatenheid of cynisme, en vaak zelfs een combinatie van beide. Het lot is onafwendbaar, ertegen vechten zinloos. Het zijn gebroken levens zonder hoop of geluk, die zich vaak vastklampen aan een enkele breekbare rietstengel, in het volle besef dat zelfs die stengel ooit zal breken en alleen het grote zwarte niets zal overblijven, een niets dat hen al bij de geboorte opgeslokt had.

In Tirza is het niet anders. Jorgen Hoffmeister is de zoveelste Jan Modaal, een redacteur die nooit waarmaakte waartoe hij voorbestemd was. Zijn vrouw verdween uit zijn leven, een jeugdliefde achterna. Hij leeft alleen nog voor zijn dochters, of liever: voor één dochter, Tirza, de zonnekoningin. Maar het is geen liefde die Hoffmeister geeft, het is een spel. De rol van de vader neemt hij op zich zoals hij de rol van de zoon, de redacteur en de echtgenoot op zich nam. Achter de façade zit niet meer dan een gigantisch zwart gat.

Hoffmeisters leven neemt een nieuwe wending wanneer zijn vrouw terugkeert, verlaten door haar grote liefde. Tirza is net afgestudeerd en maakt zich klaar voor een reis door Afrika, zeer tegen haar vaders zin. Op haar afscheidsfeestje verschijnt haar nieuwe vriend: Mohammed Atta. Voor Hoffmeister luidt dit het begin van het einde in, zijn wereld stort in en zijn façade brokkelt af. Voor het eerst vraagt hij zich af waarom alles zoveel pijn doet, waarom zijn leven zoveel pijn doet. Het is het besef dat de pijn en leegte die al een heel leven als een schaduw over hem hingen, zich eindelijk manifesteren.

Het boek eindigt helaas in een wat groteske finale die, hoewel logisch, niet noodzakelijk was. Maar het is Grunberg niet om het einde te doen, net zomin als het boek over Tirza gaat. Het verhaal draait om Jorgen Hoffmeister, een man zonder eigenschappen die zich verliest in het spel, met alle gevolgen van dien.

In Tirza bewijst Grunberg eens te meer een meester te zijn in het neerpennen van gebroken levens. Zijn personages zijn tragische figuren die hun onafwendbare noodlot tegemoet treden, zonder angst of vrees. Gelatenheid is immers de enige optie. In Tirza is het, net als in het ware leven, niet anders.

E-mailadres Afdrukken