Banner

Arnold-Jan Scheer

Zwarte Sinterklazen

7.0
 - 12 februari 2015

Als het regent in Parijs, druppelt het in Brussel, zegt een spreekwoord. Amsterdam en Antwerpen lijken toch nog iets verder uit elkaar te liggen, al wordt er de laatste jaren toch zorgwekkend naar de lucht gestaard of liever de daken. Nadat het “zwartepietendebat” al enkele jaren voor beroering zorgde in Nederland, doken er de afgelopen twee jaar ook in Vlaanderen meer stemmen op die wezen op de racistische ondertoon van het kinderfeest. Maar is Zwarte Piet echt racistisch of net niet?

Tegenstanders verwijzen maar al te graag naar het zwarte gezicht en de pagekledij van Piet om erop te wijzen dat hij afstamt van een zwarte slaaf, terwijl voorstanders teruggrijpen naar het (door hen) weinig onderbouwde argument dat Piet nu eenmaal zwart is vanwege het roet van de schouw. Een argument dat vreemd genoeg wel degelijk zijn historische wortels heeft, zoals de journalist, theater- en televisiemaker Arnold-Jan Scheer in zijn boek Zwarte Sinterklazen. Over Pieten en ander heidens volk duidelijk weet te maken. Gefascineerd door het feest bezoekt hij immers al dertig jaar lang over heel Europa allerlei vieringen die samenhangen met het klazenfeest en het jaareinde, en meer wel dan niet horen daar met as en roet zwartgemaakte gezichten bij.

Dat Zwarte Pieten vandaag onder vuur liggen, heeft in niet onbelangrijke mate te maken met mondige(re) burgers enerzijds en een mondialisering die er maar niet slaagt tradities in een context te plaatsen anderzijds. Verwijzingen naar de beruchte “blackface” bijvoorbeeld getuigen van een reducerende en foutieve hang naar analogieën terwijl de vader van de moderne Sint en Piet, Jan Schenkman, net als doel had Sint en vooral Piet salonfähiger te maken en zijn Zwarte Piet een pak vrijer en dynamischer was dan de huidige tegenstanders graag laten geloven. Historisch besef en de wil om dieper te graven dan oppervlakkigheden ontberen maar al te vaak in dit debat, zo maakt Scheer duidelijk terwijl hij van traditie naar traditie hopt en steeds duidelijk maakt dat wat voor velen een onschuldig kinderfeest is (of behoort te zijn), in veel streken binnen Europa nog steeds een sterk heidense inslag heeft die de stempel “kinderen niet toegelaten” krijgt.

De befaamde Krampus die in Duitstalige landen nog steeds de nacht onveilig maakt, is ongetwijfeld de bekendste uit het rijtje van Klazenfeesten doorheen Europa, maar hij is zeker niet de enige die met beroet gezicht en roe in de hand doorheen de straten dwaalt om vrouwen en/of kinderen te roven dan wel te straffen. Voor Scheer is hier doorheen zowat heel Europa (maar ook daarbuiten) sprake van vruchtbaarheidsrituelen die in onze contreien door de kerk aan banden werd gelegd. De rol van Sinterklaas is vaak die van scheidsrechter of meester, hij die de ongeremde wilde natuurkrachten en demonen beheerst en controleert. Hij verpersoonlijkt de ratio die de ongebreidelde emotie bij de teugels houdt en ingrijpt wanneer de situatie dreigt te ontsporen.

Doorheen de vele verhalen en getuigenissen die Scheer opschrijft en meemaakt, komen een boeiende en vaak vergeten geschiedenis en erfenis naar boven die zich ondanks een juk van christendom in verschillende vormen hebben weten te handhaven. Het fotoboek Wilder Mann van Charles Fréger documenteert voor een deel eenzelfde traditie waarbij de mens zich middels rituelen en gebruiken beschermt tegen een natuur die hem vaak ongunstig gezind is. In een korte zijsprong verwijst Scheer overigens naar de Xhosa (Zuid-Afrika) en de Marrons (Suriname) die tijdens bepaalde rituelen hun gezicht net wit schilderen om zo dichter bij hun voorouders te komen of om bepaalde geesten gunstig te stemmen. “Je est un autre” schreef de Franse dichter Rimbaud waarmee hij eenzelfde ontregeling van het ik bejubelde.

Scheer is geen academicus, zoveel is duidelijk. Zijn werk Zwarte Sinterklazen. Over Pieten en ander heidens volk is in de eerste plaats een soort reisverslag met als rode draad het zonnewendefeest/de sintviering die in verschillende tradities en gebruiken voortleeft. De onderbouwing van zijn betoog blijft flou, maar tezelfdertijd spreken de vele rituelen voor zich. Het zwarte gezicht van Piet verwijst niet naar een koloniaal verleden of slavernij, maar naar duistere krachten die in de folklore van het Europese vasteland de eeuwen doorstaan hebben. Net zoals de Noorse god Loki, die volgens sommige bronnen zwart zou zijn, een “trickster” was die lak had aan goed en kwaad, stonden Zwarte Piet en zijn vele voorouders/verwanten symbool voor een gelijkaardige plaaggeest.

Wie Scheers boek ter hand neemt, kan niet anders dan ontkennend antwoorden op de vraag of Zwarte Piet racistisch is. De bewijzen dat de traditie ouder en omvattender is dan tegenstanders wensen te geloven, is veelzeggend. Toch kan Scheers onderzoek niet zonder meer ingeroepen worden om het huidige beeld van Zwarte Piet te behouden, daar hij net zo goed aantoont dat de figuur doorheen de eeuwen verschillende gedaantewisselingen ondergaan heeft. Zwarte Piet is niet meer dan de zoveelste transformatie van een oude figuur. Niet zijn uiterlijk behoort de kern van het debat te vormen, maar wel de rol die hij en zijn kompanen in de toekomst kunnen opnemen. Scheer heeft gelijk wanneer hij pleit voor een terugkeer van de milde anarchist en onruststoker, maar elke plaaggeest is gezegend met de kunst van de gedaanteverwisseling, dus waarom Zwarte Piet niet?

E-mailadres Afdrukken