Banner

Bernard Dewulf

Toewijdingen. Verzamelde beschouwingen

9.5
Frida Dewitte - foto's: Merlijn Doomernik - 09 januari 2015

Een stoel. Een tafel. Een pen. Dat is wellicht Bernard Dewulfs heilige drievuldigheid des dagen, het triumviraat dat zijn kunstenaarschap mogelijk maakt. Het zet zich neer en kijkt. Kijkt naar muren, naar wat aan die muren hangt, naar wat op die muren schijnt. Hij kijkt naar mensen, naar dingen, naar het licht, naar de werkelijkheid van zijn eigen gedachtewereld. Het is pure verwondering die hij op papier zet – liefde voor het kleine dat ons omringt en passie voor de grootse kleinheid van de kunst.

Al jaren doet hij het: kijken. De bron van Bernard Dewulfs auteurschap is zijn blik, waarmee hij niet alleen naar, maar ook door de dingen heen kijkt: naar hun waarde, hun betekenis, hun geschiedenis. Hij ziet wat verborgen zit in de vegen van een schilderij, welk geheim de glimlach van een beeldhouwwerk verraadt, wat een vrouw in de namiddagzon met kleine gebaren over zichzelf prijsgeeft. Hij ziet niet, maar ziet meer, en beter. De toewijding van zijn blik is onvoorwaardelijk: wat het minuscule gebaar of het monument uit de kunstwereld met hem doet, deelt hij. Van zijn beroering, verstild en teder maar ook boordevol engagement en soms zelfs erotiek, maakt hij de lezer deelgenoot. En hoe!! In een stijl die evengoed de taal zelf penetreert, net zoals Dewulf met zijn blik het brandpunt van zijn gezichtsveld dissecteert. Over die soms vermoeide, soms grappige, soms melancholische, maar bovenal verrukte schouder van Dewulf meekijken naar de wereld is eigenlijk naar een andere wereld kijken. Het is binnentreden in het hoofd van iemand die niet met de blik van de historicus of kunstkenner naar artefacten uit het verleden kijkt, maar die de objectieve inschatting alleen aanwendt om tot het subject te komen, met name: hemzelf. De fascinatie die de lezer ervaart voor deze essays is net zo groot omdat Dewulf geen woorden van waarheid nastreeft, maar vooral iets probeert te zeggen over zijn eigen ervaring, en via die ervaring iets over de ervaring van ettelijke andere liefhebbers. Zijn uitingen van verbazing spatten als dusdanig van de bladzijden af, op een manier die aanleiding geeft tot menig uiting van verbazing bij het lezerspubliek.

De kern van Toewijdingen. Verzamelde beschouwingen bestaat uit (quasi) ongewijzigde essays afkomstig uit drie bundels die inmiddels niet allemaal meer te verkrijgen zijn. Bijlichtingen. Kijken naar schilders (2001), Naderingen. Kijken & zoeken naar schilders (2007) en Verstrooiingen. Over kijken en zien (2012) werden nog aangevuld met enkele niet eerder verschenen teksten. Het accent van Dewulfs essays is in zekere zin verschoven van het individu van de kunstenaar naar de beleving van kunst. Die ontwikkeling, voor zover er binnen zijn oeuvre al sprake is van een echte lijn natuurlijk, laat zich doorheen de bundel proeven. Toch is kunst in het leven van Dewulf steeds een vanzelfsprekende constante geweest. Kunst is er altijd geweest en zal er ook altijd zijn, net zoals er licht schijnt van ergens bovenuit en net zoals de auteur een gezin heeft dat zijn dagen van binnenuit verlicht. De artificiële wereld van de schone kunsten doet Dewulf overigens niet altijd boven zijn dagelijks leven uit transcenderen, integendeel. Het is die hele wereld van het kijken naar de blik van anderen, het paar ogen dat zich richt op de priemende blik van de kunstenaar, die Dewulf doen berusten in het leven van alledag, in het reilen en het zeilen van een week die zich van maandag tot zondag eindeloos lijkt uit te strekken, in die litanie der dagen die door het penseel der bevlogenheid wordt verlicht, wordt verlucht, wordt doorlucht. Diezelfde verlichting en verluchting ervaart de lezer door de manier waarop Dewulf het penseel herleidt tot taal, kleuren herleidt tot een weelderig vocabulaire, techniek herleidt tot een vloeiend omspringen met grammatica, de algehele dynamiek van vegen op een doek herleidt tot een waterval van woorden, zo logisch en toch zo volmaakt dat ze de lezer de adem kunnen afsnijden. Kunstenaars kunnen zich waarschijnlijk geen mooier eerbetoon voorstellen: deze essays zijn immers geen droge monografieën, maar interpretatieswaaruit een liefde spreekt die de liefde van de kunstenaar voor zijn subject evenaart.

Een bundel als deze maakt duidelijk dat kunst voor Dewulf geen keuze is, maar een voorwaarde. Ze is er. Ze maakt een vast deel uit van zijn dagen. Ze beheerst zijn blik. Ze regeert zijn geest. Ze is het soort voedsel dat geen supermarkt in voorraad heeft, het soort godendrank dat de overheid moet onderhouden. Ze vraagt toewijding en maakt toewijding mogelijk, omdat ze energie vraagt maar ook geeft. Ze geeft de kans om anders te kijken. Om beter te kijken. En zodoende, misschien, wie weet: om een beter mens te worden? Om met mededogen te leren kijken, en barmhartigheid, en verwondering. Gesteld dat wij allen door het prisma gevormd door die drie begrippen zouden kijken naar wat zich om ons heen afspeelt,zouden we dan niet de rust vinden, de rust die in musea hangt, en die eigenlijk de rust is waar ons hart naar streeft?

E-mailadres Afdrukken