Banner

Erwin Mortier

De spiegelingen

9.5
Frida Dewitte - 01 mei 2014

Als het op den duur niet de maden zijn die van ons decennia oude, vege lijf peuzelen, dan is het spijt. Om wat onuitgesproken bleef, onuitgesproken moest blijven, omdat het om gedachten en verbintenissen ging die het daglicht niet mochten zien. In zijn recentste boek illustreert Erwin Mortier dat tragiek niet huist in kathedralen van figuren, maar in onooglijke personages en details. In haren op een onderarm, in een priemend paar ogen, in licht dat zich een weg zoekt doorheen een kamer waar zich zopas iets magisch heeft voltrokken. Vol is de wereld van wonderen -- vol is De spiegelingen van literaire verwondering.

Al eeuwen is de onmogelijke liefde een geliefkoosd onderwerp van heel wat poëzie en proza. Een roman waarin nog maar eens dat spel van verliefde-kan-geliefde-door-omstandigheden-niet-krijgen wordt opgezet, mag stilaan in de lade met het opschrift “belegen” worden geschoven. Tot een mens als Erwin Mortier zich aan de schrijftafel zet. Zelfs als hij die tafel pas verschillende jaren later verlaat, mag de auteur zeggen geen seconde te hebben verspild wanneer uit de tussenliggende periode een boek als De spiegelingen wordt geboren. Zo doorwrocht als Mortier in zijn boek de taal op zijn lezers loslaat, zo ontzaglijk intens is de ervaring. Hier is een schrijver aan het woord die de ogenblikken die samen een leven vormen, tot hun meest elementaire bouwstenen weet te herleiden. De schrijversblik ontleedt de handeling voor het geestesoog van de lezer die wordt ingewijd in een wereld van verlangens en trauma’s, en -- als daar nog plaats voor is -- voor al de rest.

Nee, er zit geen volledig leven in De spiegelingen vervat en anderzijds toch ook weer wel. Er zijn weliswaar facetten van een bestaan, oppervlakkig of diepgaand, waar Mortier niet aan roert. Maar moet dat, in een boek dat desondanks bijzonder volledig aandoet? Natuurlijk niet. Wat Mortier onbeschreven laat, is niet morsdood. Het leeft in wat achter de zinnen ligt, in wat de paragrafen samen aan een onzichtbare architectuur vormen. Zou Edgard Demont een mens kunnen zijn die uitsluitend van de ene man naar de volgende heeft toegeleefd? Zeker niet en wel omdat Mortier door zich voornamelijk op de mannen in Edgards leven te concentreren, paradoxaal genoeg ook een ruimte laat geboren worden in de kantlijn of binnen de witregels tussen de alinea’s. Edgard doet zijn verhaal in wat nog van zijn verhaal overblijft: bevroren momenten, verdwaalde zinnen, moedervlekken op een rug, een commode en een raam, gestamel uit de verte. Herinneringen zijn geen uittreksels uit de werkelijkheid, het zijn autobiografische films van wat ons geraakt heeft, details van een groter geheel dat ons misschien ontgaan is. Mortier begrijpt dat en bouwt zijn jongste roman op als een film waar men met het voortdurend op een neer bewegen van de oogleden naar kijkt. Niet alles wordt geregistreerd, maar alles is er wel. Of zoals Edgard ook zegt over zijn aanbedene Matt: soms bestaat iets uit afwezigheid?

De laatste jaren besteedde Mortier heel wat tijd aan de Eerste Wereldoorlog. Hij vertaalde romans uit die periode of uit het interbellum, schreef voorwoorden en baande zich ook voor zijn veel geprezen roman Godenslaap een weg doorheen de loopgraven van wat als tijdsbeeld van de grote oorlog overblijft. De spiegelingen is echter allesbehalve een herhaling van wat Godenslaap al aanraakte. Deze keer verbindt Mortier de gruwelijke episode die met dit land is verbonden met het thema van de homoseksualiteit, in de vorige eeuw veel minder evident dan vandaag de dag. Van een virtuoos neergepende melancholie zijn de vele scènes vervuld waarin Edgard de grote triomfen van zijn leven memoreert. Men kan hier en daar een passage als “pathetisch” afdoen, maar is dat geen gemakkelijk excuus voor wie zich door Mortiers talent zodanig vervoerd weet dat zich tranen in de ooghoeken vormen? Kan de barokke glorie die van de pagina’s afspat ooit teveel worden? Mortier lapt zijn bespiegelingen immers nooit op met bladgoud noch betegelt hij ze met goedkoop laminaat. Zijn vocabularium heeft de klank van een orkest kristallen glazen, zijn grammatica lijkt uit ivoor gehouwen. En zijn inhoud? Die komt niet uit bibliotheken of lange dagdromen, maar is het bezinksel van ons aller levens. Hoe wij de liefde en het lichaam beleven en belijden, heeft Mortier in net 300 bladzijden kunnen onderbrengen. Hoewel opgebouwd uit geronnen bloed en continue pijnscheuten, is De spiegelingen een liefdesroman van de meest ontroerende soort. Pijn en schoonheid komen zo dicht bij elkaar te liggen, dat ze voor eens en voor altijd in elkaars omhelzing gevangen lijken. Een boek dat eeuwig zou mogen duren, zoals ook nachten aan de zijde van een geliefde zonder einde zouden mogen zijn.

E-mailadres Afdrukken