Banner

Jan van den Berghe

De artistieke uppercut

7.0
John Cossement - 07 februari 2014

Neuropornografie. Een teken van barbaarsheid. Een gênant overblijfsel uit ons primitieve evolutionaire verleden. Dat is wat hersenonderzoeker Dick Swaab onomwonden over de bokssport oftewel de pugilistiek denkt en ook wij delen -- onder meer met de huidige toestand van Muhammad “I’m the greatest” Ali in het achterhoofd -- deze mening. Ons oordeel over the noble art of self-defense hebben we na De artistieke uppercut niet bijgesteld, maar dit neemt niet weg dat we met heel veel gretigheid het vuistdikke boek over de bokssport en haar innige verstrengeling met de kunsten hebben gelezen.

Jan Van den Berghe geraakte zelf als zevenjarige knaap, in tijden waarin een blauw oog nog met een ongepelde biefstuk werd verholpen, in de ban van de ring. Aanvankelijk scheurt hij -- van het antieke Griekenland via de heropleving in het zeventiende-eeuwse Engeland naar de moderne bokssport -- aan een hels tempo doorheen de geschiedenis van het boksen. Waar het in De artistieke uppercut echter vooral om gaat, zijn de bekende en minder bekende kunstenaars die zich als boks-aficionados geout hebben. Voor machomannen als Hemingway en Picasso -- hun reputatie ten spijt waren beiden waardeloze boksers -- of ongeleide projectielen als Bukowski of Hunter S. Thompson, lijkt de toewijding voor de vechtsport normaal, maar ook Nelson Mandela bleek een wandelende boksencyclopedie te zijn.

Enigszins overdreven stelt van den Berghe, zelf nog bokscommentator bij Eurosport geweest, dat geen enkele andere sport zoveel drama kent als boksen. Buiten kijf staat wel dat Dame Fortuna bijwijlen lelijk huishoudt in de wereld van de vuistvechters. De verhalen die van den Berghe vertelt gaan vaak over getormenteerde zielen die levens van ontbering, triomf, neergang, verslaving of loutering hebben geleid. Mannen die net die ene match te veel in de ring hebben gestaan of in de klauwen van hyena-achtige managers of de maffia geraken. Het boek staat vol kronieken van verborgen maar ook openlijk blank racisme, de zwarte ontvoogdingsstrijd en gefixte bokskampen, kortom, thema’s die al een boek op zich verdienen. Als lezer ga je je vooral door de uitermate boeiende vertelstijl van de schrijver meer en meer inleven in de levens van de boksers, hun matchen, hun vrouwenkwesties en hun vaak tragische einde.

Of het nu om fauvisten, futuristen of dadaïsten gaat, dichters, songschrijvers of jazzmuzikanten, van den Berghe tekent hun liefde voor de bokssport terdege op. De Duitse en Amerikaanse, maar ook Italiaanse, Poolse, Zweedse en zelfs Latijns-Amerikaanse literatuur wordt behoorlijk uitgespit. Ook Belgische en Nederlandse boksers en boksfanaten als Claus, Cremer, Deelder of Dillemans zijn van de partij. Dat boksen niet enkel succes heeft bij niet al te snuggere loudmouths is nu wel duidelijk. Een klein aantal vrouwen schrijft ook over the noble art of stapt zelf in de ring: zo zagen Duitse feministes boksen in de jaren twintig van de vorige eeuw als een middel tot emancipatie. Een toefje ironie ontbreekt bij de bespreking van romans en films over de bokssport niet. Voor elke filmklassieker als Raging Bull honderd regelrechte stinkers à la Camping Cosmos met professionele boksers als onbeholpen acteurs.

Boksen geeft soms aanleiding tot mooie bespiegelingen over de kwetsbaarheid van de mens (zoals bij Maeterlinck) of de wisselvalligheden van het bestaan (zie: schrijver-avonturier Jack London), terwijl anderen zoals d’Annunzio de sport als een hunkering naar een heroïsch individu of -- bij Brecht, who else? -- als een microkosmos van de kapitalistische maatschappij en haar verdorven commerce zien. Hemingway maakte dan weer gewag van een kans om te ontsnappen aan de burgerlijke afkomst en nog anderen ontwaarden in het gevecht in de ring een aristoteliaanse catharsis of een spiegel van het leven. Maar aanstekelijk is vooral het schrijfplezier dat van De artistieke uppercut spat. De verslagen van homerische wedstrijden van een heel resem boksiconen als Dempsey, Carpentier, Louis, Schmeling, Tyson of Ali opgetekend door schrijvers, verslaggevers of van den Berghe zelf, de pakkende anekdotes en fraaie beschrijvingen van fysieke verschijningen en boksstijlen laten je als het ware tussen de bladzijden door het bloed, zweet en testosteron ruiken.

Jan van den Berghe is, zoals Johan Anthierens zaliger, een woordkunstenaar pur sang, een lust om te lezen of naar te luisteren op radio en tv, een non-conformist die nooit nalaat om op zijn eigengereide manier en met milde spot het fenomeen ‘mens’ te observeren en te beschrijven. Zijn eigenschap als begeesterende praatvaar speelt hem ook wel parten: het boek zit propvol namen, plaatsen en citaten, waardoor de lezer door die eindeloze infostroom al eens punch drunk dreigt te geraken. Ook houdt hij zich soms nog iets te veel op de vlakte en komt er al eens een herhaling of een inhoudelijke onnauwkeurigheid in voor. Niettemin is dit een boek waarin je, zelfs als volbloed pacifist, ’s avonds tegen de slaap vechtend wil verder lezen. Qua diepgang blijven we dus iets op onze honger zitten, maar laten we het geklaag varen -- Freddy De Kerpel zou naar verluidt op weg naar onze woonst zijn -- en concluderen: leesvermaak à volonté .

E-mailadres Afdrukken