Banner

Robert & Edward Skidelsky

Hoeveel is genoeg?

7.0
John Cossement - 08 augustus 2013

In het VPRO-programma Zomergasten van 2012 zat de Nederlandse CEO Ben Verwaayen, een oppervlakkige en narcistische patjepeeër, driftig op het “handen uit de mouwen”-devies te hameren, zeker nu de door hem bejubelde Chinese economie niet te stuiten lijkt. Daarbij moesten volgens hem ook maar allerlei sociale verworvenheden kunnen sneuvelen. Vader Robert en zoon Edward Skidelsky zijn ongetwijfeld een andere mening toegedaan: ze gaan in Hoeveel is genoeg? na waarom we ons nog steeds door ons werk laten voortjakkeren en het goede leven aan ons voorbij laten gaan.

De mens heeft altijd al, of het nu in Plato’s republiek of Thomas More’s Utopia was, over utopieën en het zalige nietsdoen gefantaseerd. De Skidelsky’s nemen echter de premisse van de Britse econoom John Maynard Keynes (Robert, een emeritus professor politieke economie, schreef diens biografie) onder de loep. In de jaren dertig van de vorige eeuw voorzag hij dat we over honderd jaar aan een 15-urige werkweek meer dan genoeg zouden hebben. Het lijkt momenteel echter niet die kant op te gaan. Vader en zoon Skidelsky gaan minutieus na waar de oorzaak van Keynes’ uitschuiver ligt en hoe we alsnog de werkweek aanzienlijk kunnen inkorten en ze ontwikkelen daarbij hun visie op meer vrije tijd, zonder dat we daarbij in ledigheid vervallen.

Keynes lijkt er zich geen rekenschap van te hebben gegeven dat de mens alsmaar meer behoeftes en alsmaar meer grenzeloze verlangens heeft. Het ligt in onze aard om onze welvaart te vergelijken met die van anderen en misnoegd te zijn over wat we zelf hebben. Het kapitalisme speelt daar gretig op in en stimuleert onverzadigbaarheid, schraapzucht en afgunst. Competitieve handel en statusgedreven consumptiedrang of keeping up with the Joneses. Keynes zelf dacht trouwens dat de armere gebieden in de wereld de achterstand op de rijkere zouden inhalen maar had er ook geen benul van dat de globale bevolkingsgroei zo dramatisch zou zijn. Tijd om ook op dat vlak drastische maatregelen te nemen dus.

De auteurs zoeken naar manieren om de “greed is good”-mentaliteit te beteugelen. Ze vatten het ambitieuze plan op om via grote denkers het goede leven, een kernbegrip in het boek, te definiëren en komen ook met concrete voorstellen op de proppen. Economie als ethische wetenschap, dat willen ze opnieuw naar voren schuiven. Vader en zoon gooien daarbij hun kennis tezamen: de rol van Edward, docent esthetica en filosofie, laat zich duidelijk merken in de uitweidingen over literatuur, in de filosofische discussies over het goede leven en in de argumenten tegen wijsgeren als Rawls, Sen of Nussbaum. De inbreng van Robert richt zich uiteraard meer op het economische luik van het betoog, wat in een aardige symbiose tussen economie en filosofie resulteert.

De Skidelsky’s laten zien dat de op hol geslagen machine van het kapitalisme op een soort faustiaans contract steunt en ze gaan na hoe premoderne denkers (Aristoteles), het confucianisme, het taoïsme of de Dharmasutra’s (rechtscodes van de brahmanen) over commercie dachten. Ze zoeken een doortimmerde verklaring voor de neergang van het goede leven, ontleden – in een iets droger stuk – de pogingen om de moloch van de groei een halt toe te roepen en doen daarna hun prikkelende visie op het goede leven uit de doeken. Ook zorg voor het milieu speelt daarbij een belangrijke rol: volgens de auteurs worden de milieubewegingen evenwel door sentimenten en niet door wetenschap gedreven en ze plaatsen daar zelf met een helaas nogal onbehouwen term het ‘goedlevenmilieubewustzijn’ tegenover.

Robert en Edward Skidelsky zijn zich ervan bewust dat hun opvatting over het goede leven ietwat paternalistisch is (ze omschrijven haar als een soort niet-dwingend paternalisme) en sommige van hun voorstellen (basisinkomen, consumptiebelastingen) zullen – zeker bij vrijemarktfundamentalisten – op heel wat verzet stuiten. Ze zijn tevens wat naïef over de katholieke sociale politiek en de rol die religie kan spelen in de heroriëntatie van het beleid en in het verspreiden van het goede leven. Hoewel Hoeveel is genoeg? niet geheel vrij is van vaagheid (bv. hoe het goede leven wereldwijd realiseren?), het soms moet worden doorploeterd en sommige ideeën een wat diepere uitwerking verdienden, is dit een uitdagend boek dat tot nadenken stimuleert.

In tijden van crises, werkonzekerheid, massale afdankingen en een groeiende inkomenskloof, waarin zelfs zogenaamd linkse partijen en economen hulpeloos nog steeds aan de “meer werk, meer werk”-mantra blijven hangen, waarin politici vanuit hun tunnelvisie toeteren om langer te werken en uit machteloosheid ‘geef geld uit’ balken om de economie weer aan te zwengelen, in tijden waarin de tijdsdruk voor steeds meer werknemers opgevoerd wordt met stress, depressiviteit en burn-outs tot gevolg en waarbij shoppen als compensatie voor de afstompende ervaring van de baan wordt beschouwd, in tijden waarin ondernemers en CEO’s met stuitende zelfingenomenheid uit de speknek zwetsen over werkonwilligheid bij een groot deel van de bevolking en waarin het onderwijs gezien wordt als middel om de waarde van menselijk kapitaal te vergroten en het studenten meer en meer klaarstoomt om zich als kritiekloze loonslaven en consumenten in de waanzinnige ratrace te werpen, in zulke tijden is het adagium van Keynes (“Zodra we onszelf toestaan om ons niets meer aan te trekken van de winstberekening van de accountant, beginnen we onze beschaving te veranderen.”) en het boek van de Skidelsky’s een bijzonder nuttige denkoefening. Zo, en nu even de hangmat opzoeken.

E-mailadres Afdrukken