Banner

Bernard Dewulf

Verstrooiingen

Andreas Delanoye - foto's: 8 - 29 november 2012

Veel meer dan een groot verhaal te construeren, is Bernard Dewulf een verzamelaar van notities. Zoals bij zijn grote voorbeeld Paul Valéry zijn deze sterk geliteraliseerd. De nieuwe bundel Verstrooiingen bevat het beste van waartoe Dewulf in staat is, als “ziener” van kunst en als chroniqueur van het alledaagse. Het is vooral in die laatste hoedanigheid dat hij een spectaculair palet aan gevoeligheden tentoonspreidt.

Als columnist in De Morgen werd Bernard Dewulf graag gelezen. Veel van zijn stukken die om de andere dag op de voorpagina van de krant verschenen, afgewisseld met Hugo Camps, waren goed genoeg om te bundelen in Loerhoek (2006). Na zijn veelbesproken ontslag in 2009 ging hij aan de slag bij De Standaard, waar hij nu elke week een column schrijft in het weekblad. Eerder was Dewulf al gedebuteerd als dichter met Waar de egel gaat (1995), goed voor de Debuutprijs en de ASLK-prijs voor het literair debuut, en hij bevestigde zijn dichterstalent met de fenomenale bundel Blauwziek (2006). Dit jaar valt hem overigens de eer te beurt Stadsdichter van Antwerpen te mogen zijn. Geen benoeming in het ijle, want Dewulf lijkt niet meer weg te denken uit het letterenlandschap. Met zijn impressionistisch getinte Kleine dagen (2009) won hij de Libris Literatuurprijs en recent schreef hij met Een lolita een euforisch ontvangen theatertekst voor NTGent. En nu is er dus ook Verstrooiingen, op het eerste gezicht opnieuw een reeks beschouwingen over kunstenaars en hun werk, zoals eerder in Bijlichtingen (2001) en Naderingen (2007).

Voorafgegaan door een proloog, bestaat Verstrooiingen uit vier delen. Grof gesteld handelen de eerste twee over kunst en zijn de laatste twee, samen ongeveer een derde van het boek, van meer persoonlijke aard. De ondertitel van het boek “over kijken en zien” is de gemeenschappelijk noemer. Zelf schrijft Dewulf: “Zien is doel, kijken middel. Kijken is de houding, zien het resultaat. Zien is het verhaal, kijken het schrijven.” In deze laatste zin schuilt een methode om met de werkelijkheid en kunst om te gaan: door een observatie in woorden te proberen vangen, openbaart ze een stuk van haar betekenis. Zeker als dat vangen, zoals bij Dewulf, het oproepen van heel wat vragen impliceert. Op die manier krijgt elk stuk tegelijk iets quasi essayistisch en filosofisch. Daarom mag een boek als Verstrooiingen nooit gecatalogeerd worden als leesvoer voor kunstliefhebbers. En dan hebben we het nog niet gehad over de literaire kwaliteiten.

Als Bernard Dewulf schrijft over kunst dan wil hij geen “blinde” teksten schrijven vol jargon. Zijn reflecties zijn het resultaat van een onbevangen “zien”, vol menselijkheid en dus heel zinnelijk. Hoewel erudiet, vervalt hij nooit in academisme, wat aan toegankelijkheid doet winnen. Dat heeft ook te maken met een heldere stijl en een economie van middelen. In vaak korte alinea’s schuwt Dewulf de breedsprakigheid en leidt ons soepel door redeneringen. Soms stelt hij alleen de vragen. Spitse, intelligente vragen die ons bij de les houden. Want ondertussen is Dewulf zijn liefde aan het bezingen voor schilders als Hopper, Richter of Freud, naast artiesten van eigen bodem. Zijn eerbied voor het werk maakt op z’n minst een groot enthousiasme wakker bij de lezer. Dat er ook afbeeldingen zijn opgenomen in het boek was niet nodig geweest. Het is in tijden van Google images hoogstens een extra motivator om zelf verder te zoeken, want na de inspirerende tekst van Dewulf zal niemand genoegen nemen met de in zwart-wit afgedrukte werken.

Het zinnelijke in de blik van Bernard Dewulf komt uit verschillende hoeken van Verstrooiingen naar voor. Soms komt het in de vorm van een woordprobleem, zoals in “Boezemkloof”, dan weer uit een essayistisch stuk over intimiteit in de foto’s van Heggre, of in een beschouwing over “Liefde en lust”, maar deze keer ook met een erotisch verhaal “Pense à moi”. Het dient gezegd dat Dewulf dit sensuele register perfect beheerst. Zo ook dat van het persoonlijke. Zoals in zijn poëtische miniaturen, gedestilleerd uit het dagelijks leven met zijn gezin in Kleine dagen, laat hij in het laatste derde van Verstrooiingen zijn verwonderende blik opnieuw door zijn eigen leven gaan. Met grote gevoeligheid en een evenwichtige zin voor melancholie schrijft hij twee reeksen dagboekfragmenten, ontstaan aan de beide uiteinden van het jaar 2010. Gevolgd door enkele korte afzonderlijke stukken waarin onder andere het gezin opnieuw figureert, vormen deze het emotionele zwaartepunt van het boek. De kwetsbaarheid hierin en de zo intelligent aanwezige existentiële lading maken dit werk tot fenomenale literatuur.

Verstrooiingen bevat dus heel veel van Bernard Dewulf: zijn blik op de kunstwereld, de werken en de persoonlijkheden, zijn taalgevoeligheid en preoccupatie met het juiste woord, zijn beschrijving van onze allermenselijkste gevoelens. Dit boek lezen is veel bijleren en tegelijk vormt het een oproep om zelf steeds opnieuw de verwondering en toewijding op te zoeken. Op die manier vormen schrijvers als Bernard Dewulf een baken in onze leefwereld.

E-mailadres Afdrukken