Banner

Teju Cole

Open Stad

8.0
Jurgen Boel - 23 november 2012

De kunst van het flaneren, ook wel eens drentelen of kuieren genoemd, behelst een ingetogenheid en rust die niet te vergelijken is met het doelloos rondslenteren. Flaneren is een discipline op zich die het wandelen zelf centraal stelt. Ontmoetingen staan niet centraal maar zijn vooralsnog toegestaan. In een moderne wereld kunnen ze zelfs tot nieuwe reflecties over de eigen identiteit leiden, op voorwaarde dat elk gesprek met de andere beperkt in tijd blijft.

Bovenstaande is zowat het uitgangspunt van het intrigerende debuut Open stad van de Nigeriaans-Amerikaanse auteur Teju Cole. Cole (°1975) verhuisde in 1992 naar New York waar hij onder meer kunstgeschiedenis studeerde. In zijn debuut sijpelen verschillende autobiografische elementen door (ook zijn hoofdpersonage is New Yorker die zijn jeugd en puberteit in Nigeria doorbracht) zonder dat het boek opgevat dient te worden als een zelfreflecterende geschiedenis zonder meerwaarde. De dunne verhaallijn vormt niet meer dan een rode draad die vooral tot doel heeft hoofdpersonage Julius, een jonge arts-assistent gespecialiseerd in psychiatrie, de kans te geven schijnbaar eindeloos terug te blikken op zijn verleden en na te denken over zijn plek binnen de maatschappij.

Na de breuk met zijn vriendin begint Julius met wat hij zelf omschrijft als “doelloze rondzwervingen” waarbij hij zich afwisselend laat leiden door de toevallige ontmoetingen en herinneringen aan zijn jeugdjaren in Nigeria. Als zoon van een Nigeriaanse vader en Duitse moeder, heeft hij een brede culturele opvoeding gekregen die zich vertaalt in een meer wereldse kijk dan men zou verwachten van een jonge arts in opleiding. Zo trekt Julius naar de opera, waar hij de enige jonge zwarte is tussen een overwegend oud en blank publiek, en durft hij tijdens een museumbezoek te mijmeren over het werk van de schilder John Brewster. Anderzijds zijn er de herinneringen aan Nigeria en zijn schooltijd op de legeracademie alsook de moeilijke relatie met zijn moeder,die op haar beurt gebrouilleerd was met haar moeder.

Het is die laatste die Julius in een soort opwelling besluit op te zoeken, al weet hij enkel dat ze na de dood van zijn grootvader naar Brussel verhuisd is. In Brussel aangekomen, trekt hij net als in New York rond in de stad zonder een duidelijk doel. Een van zijn vaste gesprekspartners daar is de welbespraakte Marokkaan Farouk die in een internet/telefoonzaak werkt en met Julius geregeld in debat gaat over het Israëlisch-Palestijns conflict, andere ontmoetingen blijven oppervlakkiger en vervliegen al even vlug als ze aangewaaid kwamen. Voor Julius (en het verhaal) maken ze weinig uit, de zoektocht naar zijn grootmoeder is al evenzeer een detail, een idee dat zelfs in het hoofd van Julius geen uitwerking krijgt.

Wat doorheen het hele boek primeert zijn de toevallige gesprekken op straat die hem laten nadenken over zichzelf en de wereld maar hem net zo goed confronteren met zijn Afrikaanse afkomst . Sommigen beschouwen hem als een “brother” en zien in hun huidskleur een gedeeld verleden, al is het nooit duidelijk in hoeverre dit ingegeven is door eigen belangen, terwijl hij voor een groepje jongeren net zo goed een slachtoffer is dat geen weerstand biedt tegen hun zinloze geweld. Elke gebeurtenis en ontmoeting vormt de aanzet tot een reflectie, de ene keer maatschappelijk van inslag, de andere keer net introspectief.

Slechts een paar gesprekspartners duiken meermaals op in het verhaal, naast Farouk zijn dat de Japanse professor Saito, die vroege Engelse literatuur doceerde en Moji, de zus van een jeugdvriend, die hij na jaren opnieuw ontmoet in New York en hem de ochtend na een feestje bij gemeenschappelijke vrienden confronteert met een gebeurtenis uit het verleden. Die laatste verhaallijn is vreemd genoeg het zwakste element uit het boek. De schijnbare doelloosheid en het grotendeels ontbreken van een echte verhaallijn bepalen immers net de sterkte van Open Stad, de beschuldigingen van Moji doen daar afbreuk aan. Niet omdat ze niet uitgewerkt zouden zijn – het hele boek is fragmentarisch – maar omdat het weinig bijdraagt aan het verhaal en voor een kleine stijlbreuk zorgt.

Het is een kleine smet, haast onopgemerkt, op een debuut dat alle lof en rede die het toebedeeld krijgt, verdient. Cole speelt met taal op een prettige manier die nergens overdreven stilistisch of literair aandoet maar evenmin zakelijk droog is. Ook in zijn reflecties weet hij de dunne lijn tussen hoogdravende intellectuele spielerei en pretentieuze prietpraat te bewandelen waardoor Open stad een verfrissende inkijk in het hoofd van zijn hoofdpersonage blijft en voor een literair flanerende trip zorgt.

E-mailadres Afdrukken