Banner

Gerrit Komrij

Boemerang en andere gedichten

8.0
Andreas Delanoye - 02 november 2012

Op vijf juli van dit jaar overleed Gerrit Komrij. Even voor zijn dood verscheen nog zijn laatste roman De loopjongen en nu is er de postume dichtbundel Boemerang. Tot het laatste heeft de schrijver er aan gewerkt, wetende dat zijn einde nakend was. Het is dan ook een sombere bundel, doordrongen van de dood. Het is echter de bittere kijk op de mensheid die je als lezer totaal verweesd achterlaat.

Grote bekendheid verwierf Gerrit Komrij niet in de eerste plaats als romancier of dichter, zelfs niet als de gevreesde en soms cynische criticus die hij was. Het is zijn status als gerespecteerd bloemlezer die hem bij het grote publiek geliefd maakte. Zijn bekendste vrucht is De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, beter bekend als “de dikke Komrij”. Nochtans debuteerde Komrij ooit als dichter, met Maagdenburgse halve bollen (1968). Opvallend is de vormvastheid en helderheid van de poëzie. Zelf zegt hij daarover dat het veel makkelijker is een hermetisch gedicht te schrijven, vol grote woorden en diepe formuleringen, dan begrijpelijke poëzie zonder jargon of academisme. Inhoudelijk komt er uit Komrijs bundels geen betrouwbaar zelfportret naar boven. De schrijver steekt zich in zijn poëzie vaak weg achter artistieke onbetrouwbaarheid, wat mag blijken uit de titel van een verzameling gedichten uit 1984: Alles onecht. Dit zichzelf ondermijnen is overigens minder aanwezig in Boemerang: in het schrijven over vergankelijkheid en dood wordt Komrij hier toch openhartiger. Is hij zelf niet de “bibliotheekknecht” die leeft omgeven door boeken en zijn dood voorvoelt in een droom “Alles is marmerblank, kaal zijn de wanden -/ Zo zal hij in het witte vuur belanden.”

Boemerang opent heel sterk met zeven sombere gedichten, vol met verwijzingen naar de dood en ontgoocheling in het leven. De wereld wordt doorheen de hele bundel voorgesteld als spijkerbed en mijnenveld: een donkere visie op dit leven “tussen twee geluiden”. Een van de meest trieste gedichten is in dit opzicht “Muiterij”, waarin de gehavende dichter zich afvraagt wat hem rest als zijn beschermengel hem verlaten heeft: “Er rest een stinkend hok waarin men blaat/ Een mensenhel, bekend als tranendal/ Een aarde voor de gier en voor de aal.” Al vanaf de geboorte (“Het punt van oorsprong is een onheilsplek”) is het pessimisme troef bij Komrij en zelfs de droom is niet bij machte daaraan iets te veranderen. Wie zich op de ander wil richten moet ontnuchterend vaststellen: “Straks wandelen zijn vrienden vastberaden/ Het smalle pad naar Golgotha omhoog/ Met een pan olie om hem in te braden.” Tot slot moet zelfs de liefde het ontgelden: “Liefde is trek in eigen overdaad.” Of het nu een hekeldicht is over zijn geboorteland, een laatste sneer naar politici of een aangrijpend drieluik over een ziekenhuiservaring: Komrij slaagt erin een gevoel van troosteloosheid achter te laten. De zinloosheid van het bestaan voert hij dikwijls terug tot een pijnlijke nadruk op ons breekbare lichaam.

Gerrit Komrij heeft Boemerang nooit kunnen afwerken. Geen selectie, bijschaving, ordening of nieuwe gedichten meer. Toch staat in het voorwoord dat publicatie geheel volgens de wens van de schrijver was. Gelukkig maar: een krachtigere mokerslag in vormvaste verzen zullen we niet snel meer krijgen.

E-mailadres Afdrukken