Banner

Bart Plouvier

Genezijde

7.5
Hildegart Maertens - 21 september 2012

Allemaal willen we doodgraag weten wat er zich aan de overzijde van het kanaal bevindt, aan de andere kant van de Styx, in het niemandsland waarvoor de levenden hun bestaan inruilen. Bart Plouvier, al 25 jaar schrijver en auteur van evenveel boeken, bracht een verhalenbundel uit rondom “de dood”. Moeten we er echt bang voor zijn? Of kan doodgaan eigenlijk best een hilarische aangelegenheid zijn?

Een studie over het sterven is dit niet. Bart Plouvier schrijft fictie, waarbij het plezier dat het gebruiken van de fantasie met zich meebrengt, duidelijk centraal staat. Plouvier is wat men zou kunnen noemen een laatbloeier. Hij hield altijd al van schrijven, maar begon er pas echt mee na zijn dertigste. Zowel journalistiek werk als poëzie, reisverhalen, theaterteksten en kinderboeken is wat Plouvier voor zijn rekening nam. Een officieel debuut liet echter tot 1995 op zich wachten, maar Het gelag was geen boek dat meteen na het verschijnen al half vergeten was. Meerdere bekroningen en een blijvend contract bij Uitgeverij Manteau wijzen op twee zaken: de kaars der inspiratie is bij Plouvier nog lang niet gedoofd en ook bestaat er een lezerspubliek dat de man blijft aanspreken. Het sterven is voor Plouvier echter geen alledaags thema – voor zover het dat ooit zou kunnen zijn. Iemand die echter tal van genres reeds beoefend heeft, zou zich kunnen verslikken in de maatschappelijke ernst die een gegeven als “de dood” omgeeft. Plouvier benadert het noch omzichtig noch heel direct: door vanuit zijn gevoel met het thema om te gaan, ontstonden negen kortverhalen die erg divers zijn qua toon, maar allemaal wel een menselijke kern raken.

Genezijde is best een poëtische titel voor een bundel kortverhalen. Wie dit boek voor het eerst in handen krijgt, wordt meteen genoopt zich af te vragen wat dat nu eigenlijk is: gene-zijde. Aan geen enkele zijde, noch deze, noch de andere, maar ergens dobberend in het midden. Geïnsinueerd wordt dat sterven geen oversteek is naar een andere plek, maar eerder een reis is waarna men nooit meer aankomt. Alsof de boot van Charon, de veerman van de Styx, onderweg vergaat en nooit meer komt bovendrijven. De term biedt weinig houvast en suggereert een atheïstisch ontkennen van elk bestaan na de dood. Plouvier geeft in zijn boek echter een tegengewicht aan de negatieve emoties waarmee men het sterven vanuit deze term zou kunnen benaderen. Precies door het menselijke en het universele in dit afscheid van het leven bloot te leggen, toont Plouvier hoe “genezijde” eigenlijk gewoon deel uitmaakt van “deze zijde”. Of hoe literatuur dus een aanvaarding van het concept “dood zijn” kan bewerkstelligen.

Uiteraard is Genezijde geen therapeutisch boek, en gelukkig maar! Plouvier toont zich een vindingrijk verteller, door de dood te laten op- of aantreden in telkens helemaal andere situaties. De toon van elk nieuw kortverhaal ligt overigens niet meteen vast: voor de lezer is het iedere keer opnieuw aftasten of Plouvier nu grappig, zwaarmoedig dan wel zwartgallig aan het schrijven is. Uiteindelijk vallen alle verhalen mooi in de plooi en vormt het geheel een coherente bundel, ideaal qua lengte. Om toch enkele hoogtepunten te noemen die zich vanzelf aandienen: het verhaal van de reiziger Robert Vasari met immense buikpijn is een uitschieter, omdat de lezer tegelijk de pijnkrampen voelt. Diep melancholisch en vertederend is het vertelsel van een man die aan het dode lichaam van zijn vrouw afstand van haar probeert te nemen. Wat de overige verhalen in petto hebben, hoeft hier niet weggegeven te worden. Een enorm toegankelijk boek als Genezijde vertelt het u liever zelf,omdat de dood nu eenmaal niet altijd een grote tragedie moet zijn.

E-mailadres Afdrukken