Banner

Hans Adler

De kleine stad

7.0
Hildegart Maertens - 20 juni 2012

Lang leve de Germaanse (hooi)zolders! Zouden we ze niet integraal tot cultureel erfgoed moeten laten verklaren? Af en toe duikt er in een vergeelde en door schimmels aangevreten doos immers een pareltje op dat de literaire wereld pas zoveel jaar na datum te lezen krijgt. Zo ook in het geval van Hans Adler: lang vergeten auteur van libretti en dichtsels, wiens enige roman nu in een Nederlandstalige editie is verschenen.

Het is Uitgeverij Atlas die het risico nam te investeren in deze tot op heden volstrekt onbekende naam. Hans Adler was een Oostenrijker, in de jaren ’20 en ’30 niet onbekend omwille van zijn theater- en liedteksten, die hij produceerde naast essays en poëzie. Zijn publicaties bleven echter circuleren in tijdschriften, en de stap naar de grotere wereld van het gedrukte boek zou Adler lang uitstellen. Hij studeerde rechten (zegt iemand daar Kafka?), maar wegens ziekte kon hij al op 35-jarige leeftijd vroegtijdig met pensioen gaan en zich volledig aan het schrijven wijden. De kleine stad zou Adlers enige roman zijn en werd geschreven in een periode die niet vrij was van socio-politieke spanningen. Het boek dook pas vorig jaar op in Duitsland, en het mag onbegrijpelijk worden genoemd dat dit soort romans niet bewaard is gebleven doorheen de tijd.

Centraal staat de ambtenaar Seylatz, die wordt overgeplaatst van Wenen naar een kleine, benevelde provinciestad waar hij hoopt op een glansrijke carrière. Daar aangekomen, is hij ontgoocheld over de luizigheid van “de kleine stad”. Hij ontmoet zijn jeugdvriend Titus Quitek: een verslaafd, vroeger succesvol kunstenaar, nu enkel nog actief als tekenleraar. Hij droomde net als Seylatz van een betere toekomst, als succesvol artiest in Parijs bijvoorbeeld, maar de alcohol heeft zijn leven veranderd. In De kleine stad primeert het verdorvene in de mensen: de frustratie, de onmacht en het onvermogen om het leven te leiden op een manier die bevredigt. De enige optie is dan ook het leven te lijden: zich doorheen het bestaan te spartelen en te blijven hopen, ondanks alles. Of is hopen toch niet de goede oplossing? Adler lijkt zich die vraag onrechtstreeks te stellen door een heel aantal personages voor te schotelen die vastgeroest zijn in hun dromen. Ze hebben geen idee waar het heen moet met hun leven en besluiten dan maar dat het de plaats is die hen niet toelaat te zijn wie ze “werkelijk zijn”: grote geesten. Ietwat satirisch en behoorlijk hard, lijkt Adler komaf te maken met dat idee: een grote identiteit is niet aan plaats of grond gebonden, maar moet zich overal kunnen laten gelden, hetzij in Wenen, hetzij erbuiten.

Een geniaal inzicht kan men dat niet echt noemen, maar uiteraard worden boeken niet uitsluitend gelezen om wat ze te vertellen hebben. Adler schrijft erudiet en amusant, wat de voornaamste troeven zijn van zijn enige roman. Toch is het te begrijpen waarom de auteur, ondanks de lovende kritieken in zijn tijd, zich niet aan een tweede roman waagde: de structuur van dit boek is niet altijd optimaal en de vertelling had kernachtiger gekund. In deze gedaante blijft De kleine stad tot op zekere hoogte radicale literatuur, die ook nu nog leest als een uitdaging voor het denk- en inlevingsvermogen van de lezer. Daarom verdient De kleine stad het te worden gekoesterd. En heruitgegeven. Per slot van rekening wordt de menselijke teloorgang zelden zo frappant neergeschreven als in dit onbekende en onbeminde pareltje.

E-mailadres Afdrukken