Banner

Igor Stravinsky

Muzikale poetica in de vorm van zes lessen

Frida Dewitte - 25 mei 2012

Liefhebbers van de klassieke muziek uit de 20e eeuw zijn ongetwijfeld vertrouwd met een aantal werken van wijlen de Russische compoinist Igor Stravinsky. Tegelijk de man van symfonische gedichten als De vuurvogel, balletten als Le Sacre du Printemps en opera’s als The Rake’s Progress, betreft het duidelijk een muzikaal duizendpoot. Uitgeverij Nieuwezijds werpt met de uitgave van Muzikale poëtica bovendien licht op nóg een dimensie van het genie van deze componist.

Het betreft een boek waarin de Rus zijn visie op “muziek” gestructureerd uiteen probeert te zetten, en dit op niet weinig briljante wijze. Inderdaad, een droog traktaat van iemand die niet de minste voeling heeft met literatuur, kan men deze uitgave bezwaarlijk noemen. Het was Paul Valéry, dichter, filosoof, essayist en schrijver van onder andere Monsieur Teste, die Stravinsky bijstond in het helder formuleren van zijn betoog in het Frans. Deze uitgave is immers een schriftelijk verslag van de lezingenreeks die Stravinsky zou geven aan de Harvard Universiteit in 1939, waarbij de componist uiteraard het publiek niet in het Russisch kon toespreken. De man besloot de erudiete toehoorders zijn ideeën in het Frans mee te geven, maar ook dat ging de componist niet gemakkelijk af. Wie zich door de eerste van zes lessen heen beweegt, begrijpt waarom: Stravinsky geeft zelf aan zijn opdracht heel serieus te nemen en niet zomaar wat anekdotiek op de luisteraars te willen loslaten. Wat hij wil meegeven is een “systematiek” die de bereidwillige een helder beeld moet geven van hoe de creatie van muziek precies in zijn werk gaat. De bijna 150 bladzijden tellende tekst die Stravinsky bij elkaar babbelde, is dus geen vrijblijvende bundeling van ter plekke geïmproviseerde mijmeringen. Daarvoor nam de componist de uitnodiging van de Charles Eliot Norton-associatie veel te serieus.

Reeds in de eerste les, eigenlijk gewoon een soort “prelude” (ze heet dan ook Kennismaking) duidt Stravinsky al de fundamenten aan van waar zijn komende lezingen over zullen gaan. In het eerste woord ligt het einddoel dus bij wijze van spreken al besloten -- precies dat zou een metafoor kunnen zijn voor hoe Stravinsky het componeerproces benaderde. Uiteraard krijgt de “arbeid van het scheppen” in dit boekje veel duiding. De “poëtica” interpreteert de spreker immers als “studie van het te maken werk”, waarbij hij verwijst naar de etymologie, waarbij het Griekse “poiein” teruggaat op “maken”. Tegelijk behandelt de componist veel meer zaken dan alleen het proces van het schrijven zelf. Zo is de tweede les integraal gewijd aan “het fenomeen muziek” -- want ja, wat is het ding nu eigenlijk? Les vier en vijf worden dan wat technischer, met name omdat Stravinsky inzoomt op respectievelijk “de muzikale typografie” en “de Russische muziek”. Tot slot breidt hij daar een heel actueel hoofdstuk aan, over de uitvoeringspraktijk en de zin of onzin van kritiek op eigentijdse muziek. Zeker vandaag stelt zich daar voor de zelfverklaarde critici een groot probleem: wat met hedendaagse muziek waaraan ons oor zich nog niet heeft aangepast? Stravinsky gebruiken als leraar kan wat dat betreft misschien een oplossing betekenen.

De charme van de Muzikale poëtica, na edities in het Frans en het Engels nu eindelijk, dankzij Uitgeverij Nieuwezijds, in een mooie Nederlandstalige versie beschikbaar, is dat de tekst zodanig dwingend geschreven werd, dat de lezer als vanzelf de materie met een enorme ernst zal benaderen. Stravinsky is geen kwakzalver die onwetende zielen ditjes en datjes op de mouw wil spelden: hij meent het, neemt zijn opdracht en zijn toehoorders (lezers) serieus en tracht op een beperkte tijdschaal (tijd, ook belangrijk in de muziek!) een groot verhaal op te bouwen. Daarin schuilt tevens de moeilijkheid voor de lezer: mensen met een basisnotie van klassieke muziek zullen niet veel problemen hebben om de techniciteiten te begrijpen, maar ook voor hen vergt deze lezing een “studiehouding”. Wie zich daartoe bereid acht, komt er na amper 150 bladzijden als een ander soort melomaan uit: Stravinsky is bijzonder scherp voor het jargon waarin -- ook nu nog -- over muziek wordt gesproken en hij is niet verkeerd te begrijpen in bepaalde uitspraken over zogezegde feitelijkheden waar hij het ten gronde mee oneens is. Deze Muzikale poëtica durft kortom wrikken aan wat diep verankerd lijkt te zitten in het omgaan met de klassieke muziek, ook vandaag de dag nog. Daarom komt deze uitgave geen seconde te vroeg: tijd om de muziekgeschiedenis vanaf heden met andere ogen te bezien -- met Stravinsky als mentor dan nog wel!

E-mailadres Afdrukken