Banner

Jan Procházka

Koets naar Wenen

Hildegart Maertens - 16 maart 2012

Onbekend is onbemind. Toch is Koets naar Wenen een klein meesterwerk dat meer aandacht verdient dan het tot nog toe kreeg. Met als pleitbezorger een veellezer als Jos Geysels, zou dit toegankelijke boekje hoe dan ook de aandacht van een veel groter publiek moeten trekken.

Het verhaal van Koets naar Wenen was er een van te vroeg in de kiem gesmoorde schoonheid. Meteen na zijn verschijnen in 1967 werd de novelle een doorslaand succes. Er zou weldra een verfilming volgen, waardoor het verhaal algauw gemeengoed werd onder de inwoners van Tsjechië. Het klimaat na de Praagse Lente en de inval van de Warschautroepen liet echter geen vrijheden toe zoals Jan Procházka zich die tijdens het schrijven had veroorloofd. Zoals zovele meesterwerken moest het boek een aantal jaar overleven in kluizen of in verborgen lades met een dubbele bodem. Inmiddels werd het boekje in eigen land in ere hersteld, maar tot bij ons is Koets naar Wenen nooit helemaal doorgedrongen. Uitgeverijen als Wereldbibliotheek bewijzen echter hun nut door met dit kleinood op de proppen te komen. Koets naar Wenen leest immers als een film zich laat bekijken: eenvoudig behapbaar, in klare harde taal die met weinig middelen veel evoceert. Niet toevallig, want de op 41 jaar aan kanker overleden Procházka bouwde een reputatie op als jeugdauteur en schrijver van filmscenario’s: een vak dat een groot beeldend vermogen vergt, zowel voor de jongeren als voor de televisiekijkers.

Het verhaal van Koets naar Wenen speelt zich af aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een Tsjechische boerin, waarvan de man net opgehangen werd, wordt gedwongen om twee Duitse soldaten met paard en kar naar Wenen te voeren. Zij is van plan de twee ergens onderweg te vermoorden om haar man te wreken, maar hier ontstaat precies het bijzondere: ook de soldaten willen de vrouw uitschakelen. Beide Duitsers, waarvan er een zwaar gewond is, hebben niet in de gaten dat de Moravische vrouw rondjes rijdt door het bos waar ze elk pad kent en dat ze dus helemaal niet van plan is naar Wenen te reizen. Na de dood van de gewonde is er een totale ommekeer in de houding van de vrouw en komt haar ware aard naar boven. Vanaf hier verliest het verhaal wat kracht en spanning, maar toch blijft het indrukwekkend hoe Procházka niet onverbloemd verder gaat met het beschrijven van de oorlogsgruwel.

Koets naar Wenen is dus een meesterwerk. Dat ondanks de redelijk doorzichtige schrijversconstructie: er is een constante wisselwerking en spanningsboog tussen de gedachtegang van beide mannen versus die van de vrouw, wat een literaire dynamiek geeft die men in novelles zelden vindt. Het beiderzijdse lonken, het afwachten van het geschikte moment om tot de moord over te gaan, leest tergend, maar Procházka maakt het gelukkig allemaal niet te zwaar. Het verhaal leest als een spel, hoewel het decor van een verwoestende oorlog het geheel natuurlijk niet opfleurt. De paradox waarrond het hele boek gebouwd is, zit hem in de woordeloze interactie tussen de Duitsers en de vrouw. Net in het niet spreken vinden beide partijen elkaar, en hoewel Procházka hun gemeenschappelijke verlangen tot iets gruwelijks maakt, toont hij juist de verbondenheid van beide partijen. Het wantrouwen is iets dat beide partijen meer bindt dan scheidt, en dat is precies wat de auteur in de ommekeer van zijn plot probeert te expliciteren. Het is misschien jammer dat dit element zo manifest naar boven komt, maar anderzijds ontpopt de schrijver zich niet tot belerende schoolmeester. De roman blijft bovenal een mooie parabel, die niet om de moraal werd geschreven.

Procházka, zelf actief in de politiek, weigert er dus een pamflet over zijn tijd van te maken. Koets naar Wenen leest als een tijdloos boek over mensen en hun verbondenheid, al dan niet gewild. Ook nu nog is dat actueel. Mensen zijn zoals ze zijn, zegt Procházka. En is dat eigenlijk niet fantastisch?

E-mailadres Afdrukken