Banner

Onze man ging naar de junket van Cowboys & Aliens! (2/2)

Dennis Van Dessel - 22 augustus 2011




Terug naar pagina 1

Business is business

Favreau begroet me vriendelijk en is, zo zal ik later merken, er het meest op uit om zijn film te promoten. Het zal er wel iets mee te maken hebben dat hij als regisseur meer financiële verantwoordelijkheden draagt, én dat 'Cowboys & Aliens' in de VS de eerste plaats van de box office niet heeft gehaald. In zijn openingsweekend was hij nummer twee, na 'The Smurfs'; de film doet het behoorlijk goed en zal sowieso ruimschoots zijn geld terugverdienen, maar dat is niet genoeg naar Hollywoodnormen om van een succes te spreken. Dus Favreau wil verkopen, en dat doet hij met antwoorden die van zijn tong gerold komen met een indrukwekkende snelheid en luciditeit. Hij praat over het mixen van de genres, hoe Steven Spielberg hem benaderde met het project, hoe hij ervan houdt dat de ironie van de premisse niet al te openlijk wordt uitgespeeld, dat hij geen 3D wilde voor deze film omdat de klassieke westerns ook niet in 3D waren, en dat hij Harrison Ford en Daniel Craig tegen elkaar wilde uitspelen als twee vertegenwoordigers van verschillende tijdperken in het westerngenre: John Wayne tegenover Clint Eastwood. Hij lijkt een intelligent persoon, die zelf ook heel goed weet wat voor soort film hij net heeft gemaakt. In een hoek van de kamer zit iemand van de productie vanaf het begin van het interview met één hand in de lucht: eerst houdt hij zijn vijf vingers omhoog, daarna vier, drie, twee, één. Hij telt letterlijk de minuten af, opdat ik zou weten wanneer ik moet afronden. Dat doe ik door, gegeneerd tot in mijn botten, een station call te vragen. Favreau knippert niet eens met zijn ogen, kijkt in de camera en zegt: "Hi, I'm Jon Favreau, the director of Cowboys & Aliens. Thank you for watching..." Alsof hij weet over welke zender het gaat.

Het eerste interview was een opluchting - ik heb bruikbaar materiaal en ik kreeg niet de indruk dat Favreau me een totale idioot vond omdat ik die station call moest vragen. Ik moet toegeven dat ik er wel minstens drie keer heb bijgezegd dat ik het moést vragen van mijn werkgever - dat hij niet dacht dat het mijn eigen idee was. Een station call vragen is voor mijn part even onprofessioneel als bedelen om een handtekening, en nog minder eerzaam. Mensen die een handtekening willen, pretenderen tenminste niet dat ze iets anders zijn dan fans.

Craig. Daniel Craig.

Anyway, na een korte pit stop in de journalistenruimte is het mijn beurt om Daniel Craig te spreken. Wanneer ik de interviewkamer binnenkom, legt hij snel een exemplaar van het Britse filmblad Empire terzijde. Hij staat recht om me de hand te schudden - de enige van de vier die van zijn stoeltje komt - en begroet me op een manier die me, zonder dat ik meteen kan zeggen waarom, op mijn gemak stelt. Ik kijk naar de Empire die onder zijn stoel ligt en zeg: "Ah, dan toch iemand die zijn eigen recensies leest." - "Nee hoor," antwoordt hij. "Je mag het nooit geloven wanneer mensen iets negatiefs over je zeggen. En ook niet als ze iets positiefs over je zeggen." Daarmee ben ik vertrokken voor wat het plezierigste gesprekje van de dag zal blijken, al was het maar omdat Craig de enige is die geen zorgvuldig van buiten geblokte antwoorden lijkt te geven. Hoewel mijn vragen niet bepaald uitblinken door hun originaliteit, gaat hij er op in alsof het de eerste keer is dat hij ze hoort. Tot op het moment dat ik in een ooghoek de laatste vinger van de productieassistent zie en het tijd is om mijn station call te vragen. Ik moet uitleggen wat dat is, en ik zie Craigs gezicht veranderen wanneer hij de uitleg hoort. "I'm so rubbish at those things," zegt hij. Hij verwijt me niet dat ik het hem vraag, maar het vooruitzicht zoiets te moeten doen, vervult hem met een zichtbare walging, alsof ik hem gevraagd heb zijn broek af te steken en z'n blote kont te tonen voor het algemene goed van "onze kijkers". Ik verzeker hem dat hij niet hoeft als hij niet wil, en dat ik het hem niet graag vraag. "I'd really rather not," zegt hij. Op het moment zelf geneer ik me - ik wou het hem sowieso al niet vragen en nu heb ik het deksel op mijn neus gekregen - maar tegelijkertijd respecteer ik hem nog meer omdat hij nog niet zodanig glad gelikt is door het Hollywoodsysteem dat hij dit soort debiele verzoeknummertjes zonder nadenken opvoert.

"I need the money!"

Enkele minuten later hoor ik mijn naam opnieuw afroepen en de wat al te enthousiaste, al te jonge en al te blitse assistent van daarnet zegt me dat: "We've got you for Harrison." Yup, daar gaan we dan. Meneer de brompot, helemaal voor mij alleen, vijf minuten lang. Het probleem is niet dat ik bang ben voor een knorrige man van bijna 70. Het probleem is dat ik sommige kinderillusies simpelweg niet wil kwijtspelen. Ik wil geloven dat Harrison Ford Indiana Jones is. Dat hij een held is. En het maakt geen donder uit hoe onrealistisch of naïef die wens dan wel mag zijn. Daar ben ik bang voor: desillusie.

Het eerste dat ik van Harrison Ford hoor, is een korte, maar krachtige hoestbui. Ik loop de kamer binnen achter het scherm dat het licht moet weerkaatsen, zodat hij nog heel even aan mijn zicht onttrokken is. Ford kucht luid, ik duik van achter het scherm, en daar zit hij: Indy. Han Solo. Deckard. Dokter Richard Kimble. Voor iemand die bijna zijn achtste decennium ingaat, ziet hij er nog uitstekend uit - stevig gebouwd, voorzien van kort geknipt grijs haar en een eeuwige ironische blik in zijn ogen, die suggereert dat hij, ondanks zijn slecht gehumeurde reputatie, nog wel de humor van deze hele dag inziet. Het beroemde litteken op zijn kin zit ook nog steeds op zijn plaats, en, minder flatterend, zowaar een oorbelletje in zijn linkeroor. Noem mij gerust een conservatieve zak, maar mannen van zijn leeftijd moeten niét met een oorbelletje rondlopen.

Na de hele build-up rond Fords humeur, blijkt hij in een opvallend milde bui. Hij spreekt stilletjes, beantwoordt beleefd mijn vragen, maar heeft duidelijk ook geen zin in bullshit. Hebt u veel naar John Waynefilms gekeken om u voor te bereiden? "Nee, ik laat me nooit inspireren door anderen." Zijn er nog veel mensen met wie u wil werken, of rollen waarvan u spijt hebt dat u ze nog niet hebt gespeeld? "Nee, daar hou ik me niet mee bezig." Als u de mensen één reden moet geven om naar de film te gaan kijken, wat zou die dan zijn? "I need the money." Ik denk er heel even over na om te zeggen dat ik dat laatste betwijfel, maar ik besluit om toch maar geen risico's te nemen. Een station call vraag ik deze keer niet. Fuck 'em, Daniel Craig wilde al niet, en nu ga ik een matig succesje met de moeilijkste interviewee van de dag niet op het spel zetten door hem te vragen zichzelf te kijk te zetten. Ford schudt me de hand, zegt pro forma dat het allemaal his pleasure was, en dat was dan dat. Mijn ontmoeting met Indiana Jones eindigt op een sisser - hij werkte mee, hij deed niet lastig, hij antwoordde op alles, maar ondertussen was het duidelijk dat hij mentaal ergens op zijn ranch zat, of bij Ally McBeal. Als je 69 bent, en Harrison Ford, dan hoeft helemaal niets meer.

"Great!"

Last up: Olivia Wilde, een interview dat, na al wat vooraf ging, hooguit nog een dessertje lijkt nu. Oké, Wilde ziet er bijzonder appetijtelijk uit, dat ga je me niet horen ontkennen, maar ik heb haar nog nooit in iets gezien dat een indruk naliet. Ik heb ooit de eerste zes, zeven afleveringen van 'House' gezien, tot ik me realiseerde dat die allemaal krèk hetzelfde waren. 'Tron: Legacy' was crap, en ook in 'Cowboys & Aliens' geeft ze me weinig reden te geloven dat ze meer is dan een zoveelste mooi gezichtje, waarachter maar al te weinig schuilgaat.

En inderdaad: haar antwoorden zijn zo mogelijk nog banaler dan mijn vragen, en duidelijk het resultaat van jarenlange zorgvuldige mediatraining. De Olivia Wilde die ik voor me heb zitten, krijg ik meteen de indruk, is een projectie van een echt persoon; iemand die een imago uitstraalt, waarachter - hopelijk - ergens een individu schuilgaat. Ze ratelt standaardantwoorden af en verzekert me dat alles en iedereen op deze aardkloot even great is. Ze spreekt in soundbytes, die ongetwijfeld nog erg behulpzaam zullen zijn voor de monteur die er achteraf een promofilmpje van moet maken. Ik hoop alleen maar dat ze na dit soort publieke optredens opnieuw in zichzelf verandert, en in staat is om met haar vrienden een pint te gaan pakken zonder zich zorgen te maken over haar PR. Dit is de reden waarom mensen eigenlijk pas rond hun 35 beroemd mogen worden: roem vreet je persoonlijkheid weg als je niet oppast.

Maar nogmaals: voor de doeleinden waarvoor ik daar zit, gaat het allemaal opperbest. Het voorziene eindresultaat is een promotioneel making of-filmpje, en daar past dit soort blabla perfect in. Het moedigt me aan om toch maar een station call te vragen, en ja hoor: mijn woorden zijn nog niet koud of Wilde heeft al vlekkeloos haar zinnetje ingesproken. Het gaat zelfs zo vlot, dat ik voor het eerst vandaag echt in de fout ga: de productieassistent zat al met één vinger in de lucht op het moment dat ik Wilde om de station call vroeg, maar nu hij gedaan is, hoor ik niet het verwachte "time to wrap up". Ik besef dat ik nog tijd heb voor een laatste vraag, en begin haastig op mijn papier naar de vragen voor Olivia Wilde te zoeken. Drie tergend lange seconden duurt dat, maar ik ben niet snel genoeg: de productie-assistent schiet alsnog wakker en ik moet mijn gesprek beëindigen. Ervaren junket junkies hebben snellere reflexen. Ik heb nog veel te leren.

Wrapping up

En daarmee heb ik ze alle vier gehad. Ik eindig de dag met acht Beta-tapes in een papieren draagtas: vier interviews, en telkens een camera op mij gericht, en één op de interviewee. Daarna let niemand nog op me. Ik knik onwennig naar de studiomensen die de één of andere onduidelijke functie vervullen op de junket en zeg dat ik iedereen heb gezien, dus dat ik dan maar vertrek. "See you soon," zeggen ze, alsof die kans reëel is. En dat was het dan - dezelfde piccolo voert me weer naar beneden en zo sta ik de straat weer op. Hoogstwaarschijnlijk zal ik Claridge's nooit nog vanbinnen zien, of het moest al zijn dat ik er ooit opnieuw ben voor een junket.

Tijdens de reis naar huis laat ik de dag bezinken - een dag gewijd aan het soort vrolijke non-journalistiek waar ik doorgaans een hekel aan heb als het de extra's van een dvd bevuilt. Veel fragmenten uit de film, onderbroken met sporadische opmerkingen over hoe geweldig iedereen wel was. Maar ik zou niet durven klagen: ik heb één van mijn jeugdhelden ontmoet, nog meer respect gekweekt voor Daniel Craig (die ik na 'Casino Royale' toch al behoorlijk hoog inschatte), gemerkt dat Jon Favreau echt wel oké is en dat Olivia Wilde... er ook in het echt erg leuk uitziet.

Ooit wil ik Ford en Craig eens een uur lang voor een camera zetten. Hen reële vragen stellen over reële onderwerpen. Tot dan zal ik blij moeten zijn dat ik op zijn minst nog altijd kan geloven in de mythe van Indiana Jones.

E-mailadres Afdrukken