Banner

Into the Wild

4.0
Barbara Van Ransbeeck - 16 januari 2008





Geld maakt gelukkig, zegt u? Daar dacht dan toch één jongeman anders over. In 1990 besluit de Amerikaanse twintiger Christopher McCandless, die net zijn diploma rechten heeft behaald, om zijn creditkaarten door te knippen, zijn laatste cash geld in de fik te steken, zijn identiteit uit te wissen en zijn vetgemest spaarvarken aan Oxfam te doneren. Zonder afscheid te nemen van wie dan ook, doopt hij zichzelf om tot 'Alexander Supertramp' en trekt hij al liftend weg uit Atlanta. Gedreven door het filosofische gedachtengoed van zijn favoriete schrijvers Jack London, Leon Tolstoy en Henry Thoreau, wil hij kost wat kost naar Alaska, in de overtuiging dat dat zijn enige kans op geluk is. Een kluizenaarsbestaan leiden in de natuur, in een wereld zonder ouders, hypocrieten, politici en klootzakken, waar hij spirituele verlossing zal vinden. Na een rondreis van twee jaar door de Verenigde Staten en Mexico, waarop hij tal van lotgenoten ontmoet en vriendschappen sluit, komt hij uiteindelijk in putje winter aan in Alaska, waar hij, gezeten in zijn magisch schoolbusje, zijn idyllisch beeld van éénwording met de natuur toch een pak moet bijschaven: nee, de natuur is niet altijd je vriend.

Op basis van dagboekfragmenten van McCandless en de getuigenissen van mensen die hem kenden, schreef Jon Kraukauer over dit waargebeurde verhaal de bestseller 'Into the Wild'. Sean Penn kreeg het boek in handen, werd alleen al op de cover smoorverliefd en kocht meteen de filmrechten. Een intrigerende opzet: een rebel aan het roer, Eric Gautier (van 'The Motorcycle Diaries') achter de camera, een wereldwijde goede ontvangst... redenen genoeg om te beginnen watertanden. Tot mijn spijt heeft de gouden regel 'eerst zien, dan geloven' nog maar eens zijn dienst bewezen, want na het zien van 'Into the Wild' kan ik niet anders dan bokkig tegen de lovende stroom inzwemmen. In de 140 minuten durende vierde film van Sean Penn zit inderdaad een prachtige roadmovie van anderhalf uur verstopt. Alleen zit er een verschrikkelijk lange waslijst aan stoorelementen in de weg, waardoor je er niet van kan genieten. Het is als kijken naar een concert, terwijl er een grote struise kerel voor je neus staat. Een lekker stuk taart waar je niet van mag proeven. Proberen om een uitgestrekt landschap in je op te nemen, terwijl er een paal in de weg staat en hoe je je ook draait of keert, je kan alleen nog maar die paal zien.

Als je deze fijne vergelijkingen al storend vond, dan moet je je zeker niet into the wild wagen. De goedkope symboliek vliegt je er om de oren en al van bij de eerste noot die Eddie Vedder (Pearl Jam) uit zijn kampvuurgitaar pingelt, weet je dat dit een blind eerbetoon zal worden. Terwijl ze in Alaska McCandless gewoonweg 'knettergek' noemen om zonder kaart of degelijke voorbereiding de wildernis in te trekken en de natuur uit te dagen, wordt in deze versie van de waarheid de vraag niet eens gesteld of de jongeman nu de ultieme durfal, de ware held is, dan wel een verwaande egoïst met een ondoordacht plan. Sean Penn kiest resoluut voor de verheerlijking en volgt daarmee het spoor van zijn eigen eng denkende, lijnrechtige protagonist (die een leven in de wildernis romantiseert).

Erger nog dan dat ze de jongen tot een martelaar uitroepen (een clochard keert in sé ook de maatschappij de rug toe), is het feit dat ze hem niet menselijk voorstellen. Heeft deze jongen achter zijn tandpastasmile dan niet één slechte eigenschap? Onze 'supertramp' wordt vrij vlak en ongenuanceerd afgeschilderd als een enthousiasteling die de mensen op zijn weg betovert: boer Vince Vaughn vindt in hem een ware vriend, hippiechick Catherine Keener vindt in hem haar lang verloren zoon en ouwe rot Hal Holbrook vindt in hem de zoon die hij nooit heeft gehad. Asjemenou. McCandless' personage wordt nogal aan de oppervlakte gehouden en dat maakt het mysterie er niet groter op. Hoewel ik de scènes in zijn magic bus in Alaska liever allemaal achter elkaar had gezien (maar Sean de kapper dacht er anders over), werkten ze voor mij nog het best: we krijgen tijdens deze scènes de tijd om de natuurliefhebber in de jongeman rustig te observeren - op momenten waarop hij zich duidelijk in zijn nopjes voelt, maar ook die waarop hij tegen zichzelf begint te praten uit eenzaamheid.

Voor de rol van McCandless werd gekozen voor de relatief onbekende Emile Hirsch (het schoffie uit 'The Girl Next Door'). Wanneer iemand enorm veel gewicht verliest voor een rol, raken we al snel onder de indruk, maar Hirsch zag er toch griezelig echt uit als wandelend lijk tijdens de laatste dagen van McCandless' leven. De rol is zeker op fysiek vlak niet te onderschatten en voor zijn eerste echt grote rol, heeft hij het er (mede dankzij zijn fotogenieke kop) zeker niet slecht van afgebracht. Dat hij uiteindelijk toch tekort schoot, ligt dan ook meer aan de aanpak van Sean Penn dan aan Hirsch zelf, die zijn best gedaan heeft, maar het gelukzalige gevoel van vrijheid dat op zijn lippen rust, niet tot bij de kijker kan overbrengen. Laat staan dat je je met hem kan identificeren of zijn geest kan vatten. Terwijl aan ieder van ons dat gevoel om opgeslokt te worden door onze eigen voorgeprogrammeerde maatschappelijke denkbeelden en te willen vluchten uit dat keurslijf van streven naar een 'groot huis met een zwembad en een Poolse schoonmaakster' toch ook niet vreemd is, heb je aan het einde van deze film niet het gevoel de drijfveer van de jongeman écht te vatten. Met enkele flashbacks naar zijn kindertijd met ruziemakende ouders nemen we alvast geen voldoening.

De manier waarop Sean Penn McCandless dan toch een stem tracht te geven, is het grootste stoorelement van de hele zit: de hoogdravende voice-overs. Naast een voice-over van McCandless zelf met filosofisch gezwam uit zijn boeken, krijgt ook zijn jongere zus, die hij nooit op de hoogte heeft gebracht van zijn omzwervingen, ook de kans om haar verdriet en vooral haar grenzeloze liefde voor haar broer te uiten. Haar gezwollen, diepzinnig bedoelde emo-onzin werkt zodanig op de zenuwen, dat zelfs een prop in haar mond niet voldoende was geweest. Ook het opdelen in hoofdstukken zorgt voor meer dikdoenerij dan nodig: tussentitels als 'Birth', 'Adolescense', 'Family' en 'The Getting of Wisdom' (alsof hij een wedergeboorte doormaakt) laten weinig aan de verbeelding over en tenslotte kletst Penn er nog wat symbolische beeldspraak bovenop door bijvoorbeeld de oude man een berg op te laten klauteren (toch niet als het overwinnen van een obstakel zeker?) of door de zoveelste vlucht 'vrije' vogels in de lucht te laten voorbijkomen...

De beelden die Eric Gautier van deze roadtrip langs het Amerikaanse landschap schoot, van de Colorado rivier tot de woestijn en uiteindelijk het witverlichte sneeuwlandschap van Alaska, zijn gewoonweg adembenemend, al werd hen door een clichématig gebruik in de montagekamer (de Pantène Pro-vitamine hair shake, de camera spin rond McCandless die bovenop een bergtop staat,...) niet bijzonder veel eer aan gedaan. Wanneer op een bepaald moment Emile Hirsch - terwijl hij tegen zijn 'superappel' praat (het is een onbespoten exemplaar uit de natuur) - volledig ongepast recht in de camera kijkt, werd het aftellen hoeveel truken Sean Penn nog zou bovenhalen om de pret vergallen.

Hier zat inderdaad een fantastische prent in, die bezoedeld wordt door Vedders melige ondertitelde liedjes (maatschappij, wat ben je slecht!), overbodig honingzoete voice-overs en vooral een té verbloemende, zelfs irritante kijk op een interessante jongeman. De film is hooguit half zo mysterieus en inspirerend als de bedoeling was. Je gaat niet met een verlichte geest naar huis en je blijft ook niet achter met het hartverscheurende gevoel van 'had ik die man maar gekend' - uiterst vreemd, omdat dat nu nét is wat Sean Penn een hele film lang heeft proberen doen.

E-mailadres Afdrukken
 
Into the Wild
USA / 2007
Regie: Sean Penn
Scenario: Sean Penn
Met: Emile Hirsch; Catherine Keener; Vince Vaughn; Kirsten Stewart
Duur: 140 min.


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST